Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
13-2309 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. De middelen van appellant komen boven de voor hem geldende bijstandsnorm uit. Appellant ontving destijds inkomsten uit pensioen en daarnaast betaalde zijn vader zijn kosten van levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2309 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

19 maart 2013, 12/722 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Namens appellant is verschenen mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Schooljan en R. Goed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 13 april 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand is met ingang van 7 november 2011 beëindigd.

1.2.

Appellant heeft zich op 30 december 2011 opnieuw gemeld en op 20 januari 2012 een aanvraag om bijstand gedaan. Bij besluit van 27 april 2012 heeft het college, voor zover hier van belang, de aanvraag van appellant afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 28 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat de middelen van appellant, bestaande uit de door de vader van appellant ter beschikking gestelde middelen en de eigen inkomsten van appellant uit pensioen, hoger zijn dan de voor hem toepasselijke bijstandsnorm, zodat hij geen rechthebbende is als bedoeld in artikel 11 van de WWB.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de bijdragen van zijn vader ten onrechte als inkomsten zijn aangemerkt, omdat appellant deze bijdragen aan zijn vader moet terugbetalen. Uit de verklaring van zijn vader van 11 mei 2012 blijkt dat sprake is van een schuld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Indien periodieke bijstand is ingetrokken of beëindigd en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.2.

De beëindiging van de bijstand van appellant met ingang van 7 november 2011 is gebaseerd op de grond dat de middelen van appellant boven de voor hem geldende bijstandsnorm uitkomen. Appellant ontving destijds inkomsten uit pensioen en daarnaast betaalde zijn vader zijn kosten van levensonderhoud.

4.3.

Uit de verklaring van 11 mei 2012 die appellant in het kader van zijn aanvraag heeft overgelegd, blijkt dat zijn vader nog steeds alle kosten voor levensonderhoud voor appellant betaalt. Appellant heeft niet gesteld dat het karakter van de betalingen is gewijzigd. Hij heeft hiermee niet aangetoond dat in de voor de beoordeling van dit geding relevante periode van 30 december 2011 tot en met 27 april 2012 sprake was van een wijziging in zijn omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de beëindiging van de bijstand.

Appellant heeft daartoe alleen gesteld dat hij tussen de beëindiging per 7 november 2011 en de aanvraag van 20 januari 2012 kortstondig elders heeft gewoond. Dat is onvoldoende. Dat is alleen al het geval omdat appellant die stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

4.4.

De rechtbank heeft niet onderkend wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen. Het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag terecht is afgewezen, kan gelet op het voorgaande echter in stand blijven. De aangevallen uitspraak komt daarom met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J.T.P. Pot

HD