Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
13-3363 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag van appellant terecht buiten behandeling gesteld omdat de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3363 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 juni 2013, 12/3213 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.E. Jacobs, kantoorgenoot van mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 7 maart 2012 heeft appellant samen met zijn echtgenote een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Zij hebben samen een kind, geboren [in] 2011.

1.2.

Bij brieven van 10 april 2012 en 19 april 2012 heeft het college appellant verzocht een aantal ontbrekende bewijsstukken, waaronder bankafschriften, te verstrekken. Bij brief van

19 april 2012 heeft het college appellant verzocht de gevraagde gegevens uiterlijk op 26 april 2012 in te leveren. Het college heeft daarbij vermeld dat als appellant op tijd aangeeft dat hij de gevraagde stukken niet voor die datum kan inleveren, de gegeven termijn kan worden verlengd. Het college heeft appellant er bovendien op gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde stukken tot gevolg kan hebben dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling wordt gelaten. Naar aanleiding van een telefonisch verzoek van appellant op 1 mei 2012 om de gevraagde gegevens later te mogen inleveren, is de termijn om de gevraagde gegevens in te leveren met 24 uur verlengd. Op 2 mei 2012 heeft appellant diverse van de gevraagde stukken ingeleverd.

1.3.

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld omdat de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Bij besluit van 15 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een beroep op het IVRK niet kan slagen omdat daarop slechts een algemeen beroep is gedaan. In bezwaar heeft hij reeds uiteengezet dat, gelet op het feit dat hij maanden geen inkomsten heeft genoten en de schulden zich opstapelden, sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van het IVRK, alsmede artikel 27, derde lid, van het IVRK en artikel 16 van de WWB. Alle documenten die hij in zijn bezit had, heeft hij overgelegd. Door een medewerker van het college is hem daarnaast mondeling een niet aan een specifieke termijn gebonden toezegging gedaan om de nog ontbrekende gegevens later te overleggen. Ten slotte was het college op basis van de reeds verstrekte gegevens in staat het recht op bijstand vast te stellen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop wordt gesteld dat het college terecht om de in 1.2 genoemde gegevens heeft verzocht. Op grond van de bij het college bekende gegevens kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De door het college gevraagde gegevens omtrent de woon- en financiƫle situatie van appellant zijn daarbij van groot belang. Vast staat dat appellant deze gegevens, waaronder de gevraagde bankafschriften, niet binnen de verlengde hersteltermijn heeft overgelegd.

4.2.

Aan het enkele feit dat appellant in de bezwaarfase nadere stukken heeft overgelegd, komt daarbij geen betekenis toe. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

28 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9403) brengt de aard en de inhoud van een primair besluit tot het buiten behandeling stellen van een aanvraag om bijstand mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

4.3.

Ten aanzien van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

4.4.

Voor zover - mede in het licht van de genoemde artikelen uit het IVRK - een beroep is gedaan op artikel 16, eerste lid, van de WWB, slaagt ook dit beroep niet. Het eerste lid van artikel 16 van de WWB bevat de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden als omschreven in paragraaf 2.2, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Appellant en zijn echtgenote zijn niet uitgesloten van deze kring van rechthebbenden. Artikel 16 van de WWB is daarom niet van toepassing.

4.5.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. In de aangevoerde omstandigheden is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Van de door appellant gestelde toezegging is niet gebleken.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J.T.P. Pot

HD