Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
12-4299 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inkomsten uit het fokken en verkopen van honden. Inkomsten en kosten. De Raad herroept het besluit van 28 januari 2010 in die zin dat het bedrag waarmee de bijstand over de periode van 24 juli 2007 tot 3 december 2009 is herzien en bepaalt het bedrag van de terugvordering op € 10.293,49;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4299 WWB, 12/4300 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 juni 2012, 10/1975 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.M. Slierendrecht, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 april 2013 heeft mr. H.J. Doelman zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Doelman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Orie.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 13 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellanten rashonden fokken en verkopen heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn websites geraadpleegd, heeft een gesprek met appellanten plaatsgevonden en zijn door appellanten gegevens overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

14 december 2009.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

28 januari 2010 de bijstand over de periode van 24 juli 2007 tot 3 december 2009 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.293,49 van appellanten terug te vorderen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van de inkomsten uit het fokken en verkopen van honden.

1.4.

Bij besluit van 11 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 28 januari 2010 gegrond verklaard en dit besluit in zoverre herroepen dat de hoogte van de terugvordering naar beneden wordt bijgesteld tot een bedrag van € 12.693,49. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat duidelijk is geworden dat appellanten twee in eerste instantie bij de herziening van de bijstand in aanmerking genomen honden (pups) niet hebben verkocht maar zelf hebben gehouden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ze stellen zich op het standpunt, samengevat, dat zij de inlichtingenverplichting niet opzettelijk hebben geschonden, dat drie honden niet zijn verkocht maar zijn overleden zodat de opbrengst lager ligt dan waarvan het college uitgaat, en dat het college in ieder geval de redelijkerwijs aan te nemen kosten, zoals blijkend uit een overzicht van door het Nibud berekende gemiddelde kosten van de honden, in aanmerking had moeten nemen. Ten slotte hebben appellanten aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Door aan het college geen melding te maken van het fokken en verkopen van honden en van de inkomsten daaruit, hebben appellanten hun wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Voor het aannemen van deze schending is niet van belang of daarbij al dan niet sprake is geweest van opzet aan de zijde van appellanten. Evenmin is in dit kader van belang dat appellanten, zoals zij stellen, er zelf van zijn uitgegaan dat zij zich niet bedrijfsmatig maar hobbymatig bezighielden met het fokken van honden.

4.2.

Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellanten de door het college bij de herziening gevolgde systematiek, waarbij is bezien hoeveel pups er in de hier aan de orde zijnde periode zijn verkocht en welke inkomsten dat heeft opgeleverd, verminderd met de voor de honden gemaakte kosten, als zodanig niet wordt betwist.

De inkomsten

4.3.

In wat appellanten hebben aangevoerd tegen de door het college gehanteerde prijs per verkochte pup ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank. Kortheidshalve wordt verwezen naar onderdeel 6.3 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom het college redelijkerwijs, bij het ontbreken van een deugdelijke administratie, een bedrag van € 800,- voor elke verkochte hond heeft mogen aanhouden.

4.4.

Partijen verschillen van mening over het aantal feitelijk verkochte honden. Appellanten stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat uit het nest van de hond[naam hond] van 24 juli 2007 vijf honden zijn verkocht, omdat drie pups uit dit nest zijn overleden. Deze beroepsgrond treft doel.

4.4.1.

De twee andere pups uit dit nest zijn, zo staat tussen partijen vast, verkocht. In de gedingstukken zijn geen concrete aanwijzingen te vinden dat de overige drie pups uit dit nest zijn verkocht. Appellanten hebben dit uitdrukkelijk tegengesproken op de grond dat drie pups uit dit nest zijn overleden. Zij hebben destijds ook niet via internet geadverteerd dat er vijf pups te koop zijn uit het nest van[naam hond]. Namen van andere kopers dan S.[L.], die een van de pups heeft gekocht, zijn niet bekend geworden. De Raad ziet onvoldoende redenen, mede gelet op de overgelegde verklaringen van[L.] en J.C.[R.], om de verklaring van appellanten dat sprake is van drie overleden pups in dit nest voor onwaar te houden. In aanmerking genomen de in 4.1 beschreven, door het college gevolgde systematiek, moet voor het in aanmerking nemen van een bedrag van drie keer € 800,- wel aannemelijk zijn dat de drie bedoelde pups daadwerkelijk zijn verkocht. Dit is niet het geval.

4.5.

Het voorgaande betekent dat aan inkomsten uit de in de periode in geding verkochte pups een bedrag van € 11.200,- (veertien keer € 800,-) in aanmerking dient te worden genomen.

De kosten

4.6.

Wat betreft de gemaakte kosten stellen appellanten dat deze bijna volledig buiten beschouwing worden gelaten. De kosten die het college heeft meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de terugvordering staan volgens hen in geen enkele verhouding tot de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het fokken van pups.

4.6.1.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uitsluitend rekening kan worden gehouden met de aantoonbaar gemaakte en direct aan het fokken van de bewuste pups toe te rekenen kosten. Het college heeft als zodanige kosten beschouwd en in aanmerking genomen de kosten die appellanten door middel van verifieerbare nota’s hebben aangetoond. Met het door appellanten opgestelde overzicht van de kosten, de berekening van het Nibud en de - niet door controleerbare gegevens ondersteunde - brieven van de dierenarts en Biofood waarnaar appellanten verwijzen is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gestelde uitgaven daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Tegen de achtergrond van de schending door appellanten van hun wettelijke inlichtingenverplichting en in aanmerking genomen dat een deugdelijke kostenadministratie ontbreekt, kunnen appellanten niet met vrucht aanvoeren dat het college de kosten dan naar redelijkheid had behoren vast te stellen. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat deze uitkomst voor rekening en risico van appellanten moet komen.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college de bijstand van appellanten tot een te hoog bedrag heeft herzien. Dat heeft tevens tot gevolg gehad dat de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een te hoog bedrag zijn teruggevorderd. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.8.

De Raad moet na vernietiging van het bestreden besluit bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven.

4.8.1.

De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten.

4.8.2.

Het college is bevoegd tot herziening van de bijstand van appellanten tot een bedrag van €10.293,49 (€ 11.2000,- minus € 906,51) en tot terugvordering ter hoogte van dit bedrag. In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen om van terugvordering af te zien. Met name blijkt daaruit niet van onaanvaardbare financiële gevolgen van de terugvordering. In dat verband is van belang dat appellanten bij de invordering de bescherming genieten, of deze zo nodig kunnen inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit betekent dat nadere besluitvorming door het college niet nodig is en dat in de zaak kan worden voorzien op de wijze zoals in het dictum van deze uitspraak vermeld.

5.

Het college zal worden veroordeeld in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand zijn reeds door het college vergoed.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 mei 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 28 januari 2010 in die zin dat het bedrag waarmee de bijstand over

de periode van 24 juli 2007 tot 3 december 2009 is herzien en bepaalt het bedrag van de

terugvordering op € 10.293,49;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 11 mei 2010;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college het door appellanten in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD