Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
09-5262 ZFW-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn. Van de gehele procedure, die zes jaar en ruim tien maanden heeft geduurd, kan het tijdsverloop dat gemoeid was met het afwachten van de prejudiciële beslissingen van het Hof buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1922
JB 2014/234
USZ 2014/371
JOM 2014/1043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5262 ZFW-S, 11/3594 ZFW-S

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats], Spanje (verzoeker)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Verzoeker heeft hoger beroepen ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank van

31 augustus 2009, 07/3594 en 10 mei 2011, 09/3775, in de gedingen tussen verzoeker en het Zorginstituut.

Bij uitspraak van 28 februari 2014, 09/5262 ZFW en 11/3594 ZFW, heeft de Raad op deze hoger beroepen beslist. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Zorginstituut de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Verzoeker en het Zorginstituut hebben desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Staat heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. In zijn uitspraak van 28 februari 2014 heeft de Raad ten eerste overwogen dat in dit geval sprake is van één en hetzelfde onderwerp, namelijk de bijdrageplichtigheid van verzoeker. Voorts is vastgesteld dat vanaf de ontvangst door het Zorginstituut van het eerste bezwaarschrift van verzoeker op 12 april 2007 tot de datum van deze uitspraak zes jaar en tien maanden zijn verstreken. Verder is vastgesteld dat van dit tijdsverloop de behandeling van het bezwaar door het Zorginstituut ruim zeven maanden heeft geduurd en dat de behandeling van het beroep en het hoger beroep ruim zes jaar en drie maanden heeft geduurd. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI3086) is voorts overwogen dat de periode gedurende welke de behandeling van het geding heeft stilgelegen in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van gestelde prejudiciële vragen buiten beschouwing dient te worden gelaten. In het onderhavige geding gaat het dan om de door de Raad bij verzoek van 26 augustus 2009 gestelde prejudiciële vragen, welke zijn beantwoord door het Hof bij arrest van 14 oktober 2010,

Van Delft e.a. (C-345/09) en om de in dit geding gestelde prejudiciële vragen aan het Hof bij verzoek van 27 juni 2012, welke zijn beantwoord op 10 oktober 2013, Farrington en

Van der Helder (C-321/21). Daarbij is overwogen dat ook indien deze procedures bij het Hof bij de beoordeling van de duur van de onderhavige procedure buiten aanmerking worden gelaten, het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

1.2. De Staat heeft gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

1.3. Het Zorginstituut heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

9 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7612) op het standpunt gesteld dat een langere behandelingsduur in bezwaar dan een half jaar gerechtvaardigd is. Dit gelet op de complexiteit van de materie en het feit dat het Zorginstituut vanaf eind 2005 is geconfronteerd met een groot aantal soortgelijke zaken. Daarbij is er tevens op gewezen dat het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. ten tijde hier van belang nog niet bekend was.

1.4. Verzoeker heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.

2.1. Mede onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:636 komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.2. Volgens vaste rechtspraak wordt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof buiten beschouwing gelaten, indien het afwachten van die beslissing redelijk is. Dit geldt zowel in zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als in zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld.

2.3. Dienaangaande wordt opgemerkt dat in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (grote kamer) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, in overweging 4.7.1 het volgende is beslist:

“De buiten beschouwing te laten termijn die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing in die zaak zelf vangt aan op de dag na verzending van de verwijzingsuitspraak door de nationale rechter en eindigt op de dag van openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie. In een geval als hier aan de orde, waarin de behandeling van een zaak door de rechter is aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, vangt vorenbedoelde buiten beschouwing te laten periode niet eerder aan dan op het moment dat de aanhoudende rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen door het Hof van Justitie”.

2.4. De Raad maakt deze overweging tot de zijne. De in 2.3 bedoelde, en ook door de Raad thans aanvaarde eis van een schriftelijke kennisgeving tot aanhouding van de zaak was

- anders dan in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State - in de rechtspraak van de Raad niet eerder gesteld. In de uitspraak van 29 januari 2014 wordt aanleiding gezien in zaken die tot de rechtsmacht van de Raad behoren de hierboven bedoelde eis van schriftelijke kennisgeving pas te stellen in gevallen waarin de behandeling van de zaak wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die zijn gesteld na deze uitspraak. Aan het (deels) achterwege blijven van deze kennisgeving in deze zaak, zullen dan ook geen gevolgen verbonden worden.

2.5. Het voorgaande brengt mee dat van de gehele procedure, die zes jaar en ruim tien maanden heeft geduurd, het tijdsverloop dat gemoeid was met het afwachten van de onder 1.1 genoemde prejudiciële beslissingen van het Hof buiten beschouwing kan worden gelaten bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn. Met dien verstande dat de tijd dat de behandeling heeft stilgelegen in verband met de prejudiciële procedure in Van Delft e.a. pas een aanvang neemt op 21 september 2009, zijnde de datum dat het hoger beroepschrift van verzoeker door de Raad is ontvangen. Van belang daarbij is geacht dat met betrekking tot de periode tussen 27 augustus 2009 en 21 september 2009 niet gesproken kan worden van een periode waarin de procedure van verzoeker heeft stilgelegen in afwachting van de prejudiciële beslissing in Van Delft e.a. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat - zoals door partijen ook niet is bestreden - de beslissing in hoger beroep om de behandeling van de zaak in afwachting van de beslissing van het Hof in de zaak Van Delft e.a. aan te houden, redelijk was. Overigens is verzoeker bij brief van 20 januari 2010 van deze aanhouding op de hoogte gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn voor de procedure als geheel is overschreden met ruim vijf maanden.

2.6. De behandeling door de rechter heeft geduurd vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 14 december 2007 tot de uitspraak van de Raad van 28 februari 2014. Dit is zes jaar en afgerond drie maanden. Hiervan dient een periode van twee jaar en ruim vier maanden buiten beschouwing te worden gelaten. Hieruit volgt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn door de rechter van ruim vier maanden.

2.7. De behandeling door het Zorginstituut vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift van verzoeker op 12 april 2007 heeft tot en met de beslissing op bezwaar van 27 november 2007 ruim zeven maanden geduurd. De Raad ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om een langere behandelingsduur dan zes maanden, gerechtvaardigd te achten. Anders dan het Zorginstituut heeft aangevoerd, doen zich in dit geval de uitzonderlijke omstandigheden, genoemd in de uitspraak van de Raad van 9 december 2011, niet meer voor. Dit betekent dat het Zorginstituut de redelijke termijn heeft overschreden met een maand.

2.8. Bij een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, heeft verzoeker recht op € 500,- schadevergoeding. Nu de overschrijding zowel aan de rechterlijke fase als aan de bestuurlijke fase is toe te schrijven, worden de Staat en het Zorginstituut veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoeker ten bedrage van € 250,- ieder.

3.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in de schadestaatprocedure is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 250,-;

  • -

    veroordeelt het Zorginstituut tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 250,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.D.F. de Moor

IvR