Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
14-4288 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Kortsluiting. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie. Verzoeker heeft hiermee zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4288 WWB, 14/4635 WWB-VV

Datum uitspraak: 6 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2014, 14/3909 en 14/3927 (aangevallen uitspraak). Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Soedamah. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker heeft op 5 maart 2014 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij zijn aanvraag heeft hij vermeld inwonend te zijn bij zijn broer en zijn gezin op het adres [adres] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van verzoeker. Daartoe heeft de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam dossieronderzoek verricht, heeft verzoeker tijdens gesprekken op

26 maart 2014 en 8 april 2014 verklaringen afgelegd en is aansluitend aan het gesprek op

8 april 2014 een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevinding van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 april 2014.

1.3.

Bij besluit van 10 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres. Hierdoor heeft hij niet voldaan aan de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 5 maart 2014 tot en met 10 april 2014.

4.5.

Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is onder meer verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode woonachtig was op het opgegeven adres. Uit het onderzoek blijkt onder meer dat de tijdens het huisbezoek geconstateerde situatie afweek van de situatie zoals verzoeker die had geschetst tijdens het direct voorafgaande gesprek. Zo heeft verzoeker verklaard dat in zijn kamer een bed aanwezig was, terwijl tijdens het huisbezoek slechts een matras - rechtopstaand tegen de muur - werd aangetroffen. Ook de door verzoeker tijdens het gesprek vermelde fitnessapparatuur (crosstrainer) van zijn broer werd niet in zijn kamer aangetroffen. De stelling van verzoeker dat zijn broer de crosstrainer op de ochtend van het huisbezoek had verplaatst naar de woning van zijn zusje wordt niet aannemelijk geacht, te meer omdat er in de - hoogpolige - vloerbedekking geen afdrukken van het apparaat zichtbaar waren. Daarentegen stonden in de kamer wel twee draaifauteuils en een vitrinekast, waarvan verzoeker in het gesprek geen melding had gemaakt. De hiervoor door verzoeker gegeven verklaring, namelijk dat deze meubels eigendom van zijn broer waren en hij in de veronderstelling verkeerde hiervan geen melding te hoeven maken, overtuigt niet. Verzoeker heeft immers tijdens het gesprek wel melding gemaakt van de aan zijn broer in eigendom toebehorende crosstrainer. Voorts is van belang dat verzoeker slechts enkele kledingstukken kon tonen en in het geheel geen ondergoed en sokken. De verklaring van verzoeker dat al zijn onderbroeken en sokken in de was waren wordt niet aannemelijk geacht.

4.7.

Voor de door verzoeker gestelde vooringenomenheid van de DWI-medewerkers bestaan geen aanknopingspunten. Evenmin bestaat aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de rapportage van 8 april 2014, waaronder de weergave van de door verzoeker op 8 april 2014 afgelegde verklaring. Anders dan verzoeker heeft betoogd is het onderzoek in dit geval voldoende zorgvuldig en toereikend geweest en het bestreden besluit voldoende draagkrachtig gemotiveerd.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 volgt dat verzoeker geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie. Verzoeker heeft hiermee zijn inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hieruit volgt dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) T.A. Meijering

HD