Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
12-3111 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:2352, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. De rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3111 WIA

Datum uitspraak: 10 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 mei 2012, 11/4326 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Raaijmakers, advocaat, en tolk M. Cordes. Het Uwv heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als veilingmedewerkster. Op 21 augustus 2009 is zij vanuit de Werkloosheidswet uitgevallen in verband met psychische klachten en klachten aan knie, schouder en elleboog. Naar aanleiding van een op 16 mei 2011 ingediende aanvraag heeft vervolgens een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat verband is appellante onderzocht door een verzekeringsarts, die in het rapport van 17 juni 2011 heeft vastgesteld dat appellante last heeft van een stemmingsstoornis (depressieve stoornis) en van spanningsklachten die zich uiten in lichamelijke klachten. Ook vermijdt appellante zo veel mogelijk het contact met mensen. Bij appellante zijn aanwijzingen voor verminderde psychische en fysieke belastbaarheid en als gevolg hiervan heeft zij beperkingen ten aanzien van het persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Rekening houdend met de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarna is een arbeidsdeskundige in het rapport van

8 juli 2011 tot de conclusie gekomen dat appellante niet geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel geschikt is voor een aantal andere functies, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid uitkwam op 23,44%.

1.2. Bij besluit van 11 juli 2011 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij per

19 augustus 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

1.3. In de bezwaarfase heeft een beoordeling plaatsgevonden door een bezwaarverzekeringsarts. Op basis van dossieronderzoek, eigen onderzoek en informatie verkregen van de huisarts, psycholoog/psychotherapeut, neuroloog, kno-arts en sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van

13 september 2011 geconcludeerd dat de beperkingen en mogelijkheden van appellante op de datum in geding op juiste wijze zijn aangegeven in de FML. Ten aanzien van het namens appellante ingebrachte rapport van het Instituut Psychosofia van 21 juli 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat dat rapport medisch inhoudelijk niets toevoegt en daardoor niet leidt tot verandering van de door de verzekeringsarts onderbouwde beperkingen voor arbeid. Op 19 september 2011 heeft de bezwaararbeidsdeskundige in een aanvullende reactie gemotiveerd toegelicht waarom de geduide functies geschikt zijn voor appellante.

1.4. In navolging van dit advies is bij het bestreden besluit van 21 september 2011 het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2011 ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellante rapporten ingezonden van het Instituut Psychosofia van

3 september 2011 en 5 november 2011. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 19 december 2011 geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat het eerder ingenomen standpunt te wijzigen, omdat uit voornoemde rapporten geen nieuwe medische feiten naar voren komen.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep zijn namens appellante gronden aangevoerd die zich richten op de concludentie en de zorgvuldigheid van het verzekeringskundig onderzoek. Verder is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Tot slot is een nieuw rapport in geding gebracht van het Instituut Psychosofia van 29 augustus 2012.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit wordt overwogen dat de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 15 juni 2012 (ECLI:CRVB:2012:BW9297).

4.3.

In het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 september 2011 is inzichtelijk en gemotiveerd aangegeven waarom appellante niet meer beperkt is dan in de FML is aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts is tot deze conclusie gekomen op basis van alle beschikbare informatie, waaronder het in bezwaar ingebrachte rapport van Instituut Psychosofia, en op basis van aanvullend lichamelijk onderzoek dat hij bij appellante heeft gedaan. Uit dat onderzoek zijn geen duidelijke afwijkingen geobjectiveerd waardoor zwaardere beperkingen zouden moeten worden aangenomen ten aanzien van onder meer hand,- nek,- of schouderbelastend werk. Wat betreft de psychische klachten is er geen aanwijzing om aan te nemen dat sprake is van een verminderde belastbaarheid, terug te voeren op psychologische of psychiatrische oorzaken. De bezwaarverzekeringsarts heeft er in dit verband op gewezen dat niet een depressieve stoornis of episode bepalend is voor de beperkingen voor arbeid of de duurzaamheid daarvan, maar de mate waarin de stoornis tot dagelijkse beperkingen leidt. Verder is in aanmerking genomen dat de medische toestand van appellante op het spreekuur van de verzekeringsarts in juni 2011 duidelijk beter was dan in de informatie van het RIAGG van februari 2010 was opgenomen, waardoor beperkingen op de onderdelen beperkte concentratie en geheugen niet van toepassing zijn.

Voor de veronderstelling dat de verzekeringsgeneeskundigen bij het onderzoek van appellante niet het Protocol depressieve stoornis zouden hebben gevolgd, bestaat geen aanleiding, aangezien bij de verzekeringskundige beoordelingen is uitgegaan van de door appellante aangegeven klachten en belemmeringen zoals is aangegeven in de uitspraak van de Raad van 16 september 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873). Uit deze uitspraak volgt bovendien dat het Protocol slechts een hulpmiddel is en dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek niet tot uitgangspunt hoeft te nemen de vraag welke beperkingen er in zijn algemeenheid allemaal mogelijk zijn.

4.4.

In hetgeen in beroep en in hoger beroep is aangevoerd, is geen aanknopingspunt gevonden om aan te nemen dat appellante op de datum in geding medisch meer beperkt is dan is aangenomen. In de rapporten van Instituut Psychosofia van 3 september 2011,

5 november 2011 en 29 augustus 2012 is onder meer gesteld dat bij appellante geen lichamelijk onderzoek is gedaan en is gewezen op haar medicijngebruik. Uit 4.3 blijkt dat appellante wel degelijk lichamelijk is onderzocht. Ook blijkt uit de verzekeringskundige rapporten dat het medicijngebruik van appellante bij de medische beoordeling is betrokken. Verder is in de rapporten van Instituut Psychosofia gesteld dat bij appellante ten onrechte geen bewegingsbeperkingen zijn vastgesteld ten gevolge van nek- en schouderklachten. Dit betoog kan niet slagen nu in dit verband in de FML beperkingen zijn aangenomen op het punt van dynamische handelingen. Evenmin wordt het betoog gevolgd dat ten onrechte geen zintuigonderzoek heeft plaatsgevonden, aangezien de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport gemotiveerd heeft aangegeven waarom onderzoek van het gehoor niet nodig was.

4.5.

Tot slot is in de rapporten van Instituut Psychosofia aangevoerd dat appellante de Nederlandse taal niet voldoende beheerst. Dit betoog ziet op de arbeidskundige beoordeling die aan de schatting ten grondslag ligt. In dit verband wordt onder mondeling beheersen van de Nederlandse taal begrepen het verstaan en spreken van de Nederlandse taal voor zover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs is vereist. Sinds de wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten per 1 oktober 2004 kan de arbeidsdeskundige een functie waarvoor de beheersing van de Nederlandse taal is vereist, voor de schatting gebruiken, zelfs als de betrokkene niet over deze vaardigheden beschikt. Dit betoog kan dan ook niet worden gevolgd.

4.6.

Met appellante kan worden opgemerkt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de rapporten die in beroep zijn ingebracht van het Instituut Psychosofia en dat de motivering van de aangevallen uitspraak erg mager is. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt echter dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden , voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M. Crum

JS