Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
12-2344 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrelkking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Geen melding gemaakt van schoonmaakwerkzaamheden. Verzwegen bankrekeningen in Marokko. Overschrijding vermogensgrens. Recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2344 WWB, 12/2345 WWB

Datum uitspraak: 4 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 maart 2012, 11/2401 en 11/2407 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Weesp (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn en H. Bassit als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Koppen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen met enige korte onderbrekingen sinds 19 mei 1995 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding, onder meer inhoudende dat appellante dagelijks bij verschillende personen huishoudelijk werk verricht, heeft de sociale recherche Gooi en Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties uitgevoerd, bankgegevens gevorderd, een doorzoeking gedaan in de woning van appellanten, getuigen gehoord en appellanten verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 11 mei 2010. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

16 november 2010 de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2006 in te trekken en bij afzonderlijk besluit van 16 november 2010 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 maart 2010 tot een bedrag van € 77.557,71 van appellanten terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten in de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 maart 2010 de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van door appellante verrichte schoonmaakwerkzaamheden en van twee op naam van appellant staande bankrekeningen in Marokko. Vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie van deze werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten is het recht op bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2006 tot 1 oktober 2008 niet vast te stellen. Verder beschikken appellanten op 1 oktober 2008 in Marokko over twee bankrekeningen met een saldo van in totaal € 27.024,26, waardoor appellanten vanaf deze datum geen recht op bijstand hebben.

1.3.

Bij besluit van 31 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 16 november 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij een overzicht van alle werkadressen, de gewerkte uren en het uurloon hebben overgelegd, aan de hand waarvan het recht op aanvullende bijstand wel kan worden vastgesteld. Verder hebben zij aangevoerd dat zij niet over het tegoed op de Marokkaanse bankrekeningen hebben kunnen beschikken en dat de gelden op deze bankrekeningen toebehoren aan de vader van appellant.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2006 tot en met 16 november 2010.

Werkzaamheden

4.2.

Anders dat appellanten stellen, is op grond van de gedingstukken niet voldoende inzicht te krijgen in het geheel van de door appellante verrichte werkzaamheden en de in verband daarmee verworven inkomsten. De door appellanten in bezwaar overgelegde berekening biedt daarvoor onvoldoende grondslag, nu deze niet is onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens en afwijkt van wat de getuigen tegenover de sociale recherche hebben verklaard. Evenmin bieden de onderzoeksgegevens van de sociale recherche een voldoende basis voor een reële schatting van de omvang van de werkzaamheden van appellante en de daaruit ontvangen inkomsten, omdat die gegevens geen inzicht bieden in de totale omvang van de werkzaamheden. Zo valt uit de verklaring van getuige D. Griffioen af te leiden dat er nog andere adressen waren waar appellante werkzaam was, terwijl noch de getuige noch appellante hebben verklaard welke adressen dat zijn geweest. Verder heeft appellante niet spontaan een overzicht gegeven van de werkadressen, maar zijn de bekend geworden werkadressen het resultaat van een onderzoek op basis van de telefoonnummers en namen uit de mobiele telefoon van appellante. Dit betekent dat niet meer kan worden vastgesteld of in de periode van 1 januari 2006 tot 1 oktober 2008 nog recht op (aanvullende) bijstand bestond.

Bankrekeningen

4.3.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4.

Appellanten zijn hier niet in geslaagd. De enkele verklaring van de vader dat het geld op de bankrekeningen zijn geld is en dat appellant dit geld na zijn overlijden moet verdelen onder zijn kinderen is daartoe onvoldoende.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD