Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
13-695 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. 1) De opheffing van de betrekking van betrokkene en de daaraan ten grondslag gelegde daling van het leerlingenaantal zijn niet als omstandigheden te beschouwen die in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van betrokkene en zijn directe werksituatie. De grondslag “andere redenen van gewichtige aard” kwam dus niet voor toepassing in aanmerking. 2) In dit geval was sprake van de situatie bedoeld in artikel 17.1, derde lid, van de CAO Voortgezet onderwijs. Ontslag op grond van artikel 9.b.3, aanhef en onder d, van de CAO VO was dus niet mogelijk dan nadat aan de voorwaarden van de leden 3 tot en met 5 van bijlage 8, behelzende onder meer een wachttijd van twee jaar, was voldaan. Net als de rechtbank vindt de Raad in de verwijzing naar “één of meer” werknemers in het derde lid van bijlage 8, steun voor het oordeel dat het stelsel van artikel 17.1 in samenhang met die bijlage, mede ziet op individuele gevallen als dat van betrokkene. De subsidiair gehanteerde grondslag levert geen bevoegdheid tot ontslagverlening op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/695 AW

Datum uitspraak: 9 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

20 december 2012, 12/1203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De Stichting Pontes Scholengroep (appellante)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klaassen, advocaat, en J. Lommen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. G.A.M.C. Verschuren.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 november 2008 aangesteld als [naam functie] met een werktijdfactor van 0,35 op de locatie [naam locatie], afdeling [afdeling]. Bij brief van 28 april 2011 heeft appellante aangekondigd in het volgende schooljaar over te zullen gaan tot ontslag van betrokkene, dit vanwege een terugloop van het aantal leerlingen in het vmbo. In mei 2011 is met betrokkene gesproken over de mogelijkheid om als docent op de afdeling [afdeling] aan de slag te gaan, waarbij hij binnen twee jaar zijn bevoegdheid zou moeten behalen. Betrokkene achtte dit om verschillende redenen niet haalbaar en heeft van deze mogelijkheid afgezien.

1.2. Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en betrokkene gelegenheid te hebben geboden zijn zienswijze daarover kenbaar te maken, heeft appellante betrokkene bij besluit van 30 juni 2011, met ingang van 1 oktober 2011 ontslag verleend op grond van andere redenen van gewichtige aard, als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef en onder l, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2008-2010 (CAO VO). Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 december 2011 (bestreden besluit) heeft appellante dit bezwaar ongegrond verklaard, waarbij, voor het geval mocht blijken dat de meest passende ontslaggrond die van opheffing van de betrekking als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef en onder d, van de CAO VO zou blijken te zijn, deze ontslaggrond als subsidiaire grond aan het ontslagbesluit is toegevoegd.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het ontslagbesluit van 30 juni 2011 herroepen, waarbij bepalingen zijn gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, nu de afname van het leerlingenaantal die voor appellante aanleiding vormde tot de financiële heroverweging en tot de herschikking in het kader waarvan het ontslag is verleend, een externe oorzaak is die niet in overwegende mate betrekking heeft op de persoon van betrokkene en zijn directe werksituatie, de primaire ontslaggrond geen standhoudt. Het niet ingaan op het aanbod van de functie van docent is volgens de rechtbank evenmin te beschouwen als een reden van gewichtige aard als bedoeld in 9.b.3, aanhef en onder l, van de CAO VO. De rechtbank was verder van oordeel dat appellante ook aan het subsidiair aan het ontslag ten grondslag gelegde artikel 9.b.3, aanhef en onder d, van de CAO VO niet de bevoegdheid tot ontslag heeft kunnen ontlenen, nu voorafgaand aan het ontslag niet is voldaan aan de eisen die in bijlage 8 bij de CAO VO aan een ontslag op deze grond worden gesteld.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het ontslag op de primaire grond geen stand kan houden. De ontslaggrond van artikel 9.b.3, aanhef en onder l, van de CAO VO, is geformuleerd als een restgrond: het gaat om andere redenen dan de onder a tot en met k genoemde. Volgens vaste jurisprudentie moeten redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef onder l, in overwegende mate betrekking hebben op persoon van betrokkene en zijn directe werksituatie. Dergelijke redenen kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in een ontstane impasse, die redelijkerwijs slechts kan worden doorbroken door beëindiging van het dienstverband. Zoals de Raad in dit kader heeft overwogen in zijn uitspraak van

19 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1100, moet worden gewaakt tegen een te extensieve uitleg van het begrip “redenen van gewichtige aard”.

3.1.1.

In dit geval deed zich een van de situaties voor, genoemd in artikel 9.b.3, aanhef en onder d, van de CAO VO, namelijk de situatie van opheffing van de betrekking. Dat wordt niet anders doordat betrokkene het hem gedane aanbod van een docentschap niet heeft aanvaard. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, zijn de opheffing van de betrekking van betrokkene en de daaraan ten grondslag gelegde daling van het leerlingenaantal niet als omstandigheden te beschouwen die in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van betrokkene en zijn directe werksituatie. Dat het hier één individuele functie betrof, maakt dat niet anders. De grondslag “andere redenen van gewichtige aard” kwam dus niet voor toepassing in aanmerking. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

3.2.

Wat betreft het op de subsidiaire grond verleende ontslag is het volgende van belang. Artikel 17.1, tweede lid, van de CAO VO bepaalt dat de werkgever die met de centrales een sociaal statuut is overeengekomen, het werkgelegenheidsbeleid alsmede het overplaatsingsbeleid in geval van reorganisatie voert conform de Uitvoeringsregeling Sociaal Statuut zoals die binnen de instelling op 30 juni 2007 geldt. In het derde lid van artikel 17.1 is bepaald dat de werkgever, indien binnen de instelling geen sprake is van een met de centrales overeengekomen sociaal statuut, het werkgelegenheidsbeleid voert conform bijlage 8 van de CAO. Het tweede lid van deze bijlage bepaalt dat ontslag op grond van, onder meer, artikel 9.b.3, aanhef en onder d, van de CAO VO niet mogelijk is, tenzij is voldaan aan het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van die bijlage. Daarin is bepaald dat een ontslag niet eerder mogelijk is dan twee jaar nadat in overleg met de centrales een sociaal plan is overeengekomen. Vast staat dat daaraan in dit geval niet was voldaan.

3.2.1.

Appellante heeft zich in dit verband beroepen op een sociaal statuut dat is opgesteld naar aanleiding van de fusie per 1 augustus 1999 van een viertal scholen, waaronder de voorloper van [naam locatie], tot de Scholengroep Noord- en Midden Zeeland. Partijen zijn het er weliswaar over eens dat dit sociaal statuut, alleen al omdat naar hun beider mening in dit geval geen reorganisatie volgens de daarin opgenomen definitie heeft plaatsgevonden, in deze zaak toepassing mist, maar appellante stelt zich op het standpunt dat de enkele totstandkoming, indertijd, van bedoeld statuut maakt hier dat de situatie bedoeld in het tweede lid, en niet die in het derde lid, van artikel 17.1 van de CAO VO, aan de orde is. Appellante redeneert dat bijlage 8 dus buiten toepassing mocht blijven, terwijl ook het sociaal statuut uit 1999 niet aan het ontslag van betrokkene op de subsidiair gehanteerde grondslag in de weg stond.

3.2.2.

De Raad volgt appellante niet in deze redenering. Ook al spreekt artikel 17.1, tweede lid, van de CAO VO van het enkele “overeengekomen zijn” van een sociaal statuut, niet kan worden volgehouden dat ook in 2011 nog van een situatie als bedoeld in het sociaal statuut uit 1999 sprake was. Het sociaal statuut uit 1999 ziet immers op een specifieke reorganisatie uit vervlogen tijden. Situaties als die van betrokkene zijn daarin uit de aard der zaak niet mede in beschouwing genomen. Het statuut gaat daarbij uit van een verouderd begrippenkader, dat uit wetgeving en CAO is verdwenen. Dat aan het statuut in 2009 een summiere verlengingsbepaling is toegevoegd, maakt het voorgaande niet anders. Een andere uitleg zou met zich brengen dat als in het verleden maar op enig moment een sociaal statuut is overeengekomen, de werkgever voortaan, ongeacht de mate waarin dat statuut in de loop der tijd bruikbaar is gebleven en nog valt toe te passen, van het voeren van nader werkgelegenheidsbeleid zou zijn vrijgesteld. Dat zou zich niet verdragen met het eerste lid van artikel 17.1, waarin de uitdrukkelijke opdracht aan de werkgever is geformuleerd om naar vermogen het behoud van werkgelegenheid te bevorderen.

3.2.3.

Het voorgaande betekent dat in dit geval sprake was van de situatie bedoeld in

artikel 17.1, derde lid, van de CAO VO. Ontslag op grond van artikel 9.b.3, aanhef en

onder d, van de CAO VO was dus niet mogelijk dan nadat aan de voorwaarden van de leden

3

tot en met 5 van bijlage 8, behelzende onder meer een wachttijd van twee jaar, was voldaan. Net als de rechtbank vindt de Raad in de verwijzing naar “één of meer” werknemers in het derde lid van bijlage 8, steun voor het oordeel dat het stelsel van artikel 17.1 in samenhang met die bijlage, mede ziet op individuele gevallen als dat van betrokkene. De rechtbank heeft dus terecht vastgesteld dat ook de subsidiair gehanteerde grondslag geen bevoegdheid tot ontslagverlening opleverde. Het hoger beroep slaagt ook in zoverre niet.

3.3.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

In het voorgaande vindt de Raad aanleiding appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 974,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 974,-;

- bepaalt dat van appellante een griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 466,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C. Zijlstra

HD