Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
13-4815 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag wegens toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Omvang geding. Tussen de opgelegde straf en het daaraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim bestaat een sterke verwevenheid zodat ook al is alleen het bestuursorgaan in hoger beroep gekomen, getoetst moet worden of terecht plichtsverzuim aanwezig is geacht. Betrokkene haalde als vriendendienst kosteloos het bedrijfsafval van de snackbar op. De bevriende snackbareigenaar werd daarmee bevoordeeld ten opzichte van de ondernemers die wel voor afvoer van hun bedrijfsafval dienden te betalen. Betrokkene kreeg als tegenprestatie gratis een kopje koffie van de snackbareigenaar. Betrokkene heeft met zijn handelwijze op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling gewekt. Betrokkene kende dus de consequenties van het handelen in strijd met de vereiste integriteit. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4815 AW, 14/921 AW

Datum uitspraak: 9 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 juli 2013, 12/4185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 14 januari 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat, K.K. Wessels en

D. Kistemaker. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door P.J. [D.].

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als medewerker [naam functie] bij het team [naam team] van de Afdeling [naam afdeling] gemeente [naam gemeente]. Betrokkene was belast met het inzamelen van (grof)huishoudelijk afval en bedrijfsafval. Op 14 juni 2010 heeft betrokkene bij zijn leidinggevende melding gemaakt van het overhevelen van oud ijzer vanuit een voertuig van de gemeente in een particuliere auto. Naar aanleiding van deze melding is een onderzoek gestart. Op 18 november 2010 is tijdens een bijeenkomst met de medewerkers van het team [naam team] over de resultaten van dit onderzoek en over integriteit gesproken. Tijdens die bijeenkomst is aan alle aanwezigen een brief van 18 november 2010 overhandigd met daarin onder meer de aan het licht gekomen misstanden binnen het team [naam team]. Naast het zogeheten smezen -het zich toe-eigenen van voorwerpen uit het (grof)afval en het wit- en bruingoed al dan niet om deze te gelde te maken- is gebleken dat medewerkers uit dat team zich schuldig hebben gemaakt aan onder andere “het aannemen van geschenken/diensten van bedrijven waar afval wordt ingezameld a) wetende dat er geen contract met de gemeente is om hier bedrijfsafval in te zamelen en/of b) zonder zich af te vragen waarom zij dit krijgen (bijvoorbeeld in ruil voor extra inzameling zonder betaling)”. Verder is in de brief van

18 november 2010 gewezen op de reeds eerder gemaakte afspraken in het kader van de integriteit, te weten geen geld, diensten en/of geschenken van bedrijven aannemen waarbij bedrijfsafval wordt ingezameld en bij het uitvoeren van werkzaamheden geen (grof) huishoudelijk en/of bedrijfsafval toe-eigenen, al dan niet om dit te gelde te maken. Daarbij is opgemerkt dat iedere vorm van plichtsverzuim in de toekomst aanleiding zal zijn tot het treffen van disciplinaire maatregelen. Omdat betrokkene niet op de bijeenkomst van

18 november 2010 aanwezig was, is de brief van 18 november 2010 op 24 november 2010 aan hem toegezonden. In de begeleidende brief van 24 november 2010 is expliciet vermeld dat het niet acceptabel is dat medewerkers van de gemeente, al dan niet voor eigen gewin, afval aan de stroom onttrekken en buiten de reguliere kanalen verder leiden.

1.2. In november 2011 is er bij de leidinggevende van betrokkene een melding binnengekomen dat medewerkers van het team [naam team] bij Snackbar [naam snackbar] te [plaatsnaam] (hierna: snackbar) met enige regelmaat afval los meenemen en dus niet, zoals is voorgeschreven, door middel van een door de gemeente ter beschikking gestelde container. Navraag leerde dat de eigenaar van deze snackbar geen contract met de gemeente had afgesloten ter zake het afvoeren van zijn bedrijfsafval. Naar aanleiding van deze melding is een onderzoek gestart.

1.3. De resultaten van dit onderzoek waren voor appellant aanleiding om betrokkene, na het voornemen daartoe, bij besluit van 20 december 2011 met ingang van 1 januari 2012 op grond van artikel 16:1:1, bezien in samenhang met artikel 8:13 van de Gemeentelijke Arbeidsvoorwaardenregeling Katwijk onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen. Daarbij is betrokkene verweten dat:

- hij gedurende een langere periode, gemiddeld eenmaal per week bij wijze van vriendendienst bedrijfsafval heeft meegenomen van de snackbar, zonder dat daar een overeenkomst met de gemeente aan ten grondslag lag waardoor het aanzien van de gemeente is geschaad;

- hij ten aanzien van het afvoeren van het bedrijfsafval van de snackbar een sturende en leidende rol heeft gespeeld, als gevolg waarvan ook de andere leden van het team in een situatie werden gebracht waarin zij handelden in strijd met de aan hen te stellen eisen van integriteit;

- hij de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt door open te staan voor verzoeken van derden om de geldende regels en voorschriften te overtreden.

1.4. Bij besluit van 13 april 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. De rechtbank acht een onvoorwaardelijk strafontslag onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim en is van oordeel dat een voorwaardelijk strafontslag met daaraan gekoppeld een direct voelbare straf meer in de rede had gelegen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen appellants eigen opvatting ten aanzien van de evenredigheid, zoals die blijkt uit het feit dat degene die zich in het recente verleden aan het smezen heeft schuldig gemaakt slechts een waarschuwing heeft gekregen en voorwaardelijk is ontslagen.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, omdat hij zich niet kan vinden in de evenredigheidstoetsing van de rechtbank. Hij is van mening dat de handelwijze van betrokkene een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.

3.2.

Betrokkene betwist in hoger beroep dat hij binnen het team [naam team] een initiërende en sturende rol heeft gespeeld ten aanzien van het afvoeren van het bedrijfsafval van de snackbar. Evenmin is volgens betrokkene komen vast te staan dat betrokkene de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt. Er is dan ook geen sprake van een zodanig ernstig plichtsverzuim, dat strafontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Hij heeft voorts om schadevergoeding gevraagd.

4.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak betrokkene voorwaardelijk strafontslag verleend met een proeftijd van twee jaren en de disciplinaire bestraffing opgelegd van vermindering van het salaris met een bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen voor de duur van twee jaren. De Raad betrekt dit besluit, met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, in deze hoger beroepsprocedure.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Tussen de opgelegde straf en (de omvang van) het daaraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim bestaat een sterke verwevenheid. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 14 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1703) kan de Raad, ook al is alleen het bestuursorgaan in hoger beroep gekomen, toetsen of terecht plichtsverzuim aanwezig is geacht.

5.2.

Betrokkene heeft erkend dat hij gedurende maximaal acht weken gemiddeld één keer per week, meestal na het drinken van een gratis kopje koffie, bij wijze van vriendendienst het bedrijfsafval van de snackbar meenam. Hij wist dat alleen afval mocht worden meegenomen van bedrijven die een overeenkomst daartoe met de gemeente hadden gesloten. Hij wist ook dat de eigenaar van de snackbar niet een dergelijke overeenkomst met de gemeente had gesloten en dat de snackbar dus niet betaalde voor het afvoeren van het bedrijfsafval.

5.3.

Betrokkene ontkent dat hij binnen het team [naam team] een initiërende en sturende rol heeft gehad ten aanzien van het ophalen van het afval bij de snackbar. Betrokkene heeft evenwel op 9 november 2011 in het eerste gesprek dat hij met zijn leidinggevende over het ophalen van het afval bij de snackbar heeft gehad, zijn initiërende rol daarin erkend. Blijkens het verslag van dat gesprek heeft betrokkene toen gezegd dat “…hij degene is geweest die alles heeft geregeld. Ook als het nodig was dat een andere vuilnisauto kwam, heeft hij geregeld dat die even langs de snackbar reed” en “… sprake was van het stellen van medewerkers voor een voldongen feit. Zij konden zich hieraan niet onttrekken” en “ hij is wat hem betreft zelf de initiator geweest van het hele gebeuren met betrekking tot het ophalen van bedrijfsafval bij de snackbar”. In zijn reactie op dat verslag heeft betrokkene vermeld dat hij het gesprek van 9 november 2011 op zijn mobiele telefoon heeft opgenomen, zodat hij kon nagaan of het verslag in overeenstemming was met de daadwerkelijk door hem gegeven antwoorden. In die reactie is betrokkene niet van de hiervoor vermelde verklaring teruggekomen. De Raad heeft dan ook geen reden om betrokkene daaraan niet te houden. Zijn verklaring komt ook overeen met hetgeen zijn collega’s D, R en V op 4 respectievelijk

9 november 2011 over het gebeuren hebben verklaard. Gezien zijn erkenning van zijn rol inzake het ophalen van het bedrijfsafval van de snackbar kan betrokkene niet worden gevolgd in zijn stelling dat aan die verklaringen van zijn collega’s geen waarde gehecht kan worden, omdat zij hem daarmee hebben willen terugpakken voor het luiden van de klok in 2010. Daarmee staat vast dat betrokkene een sturende en leidinggevende rol heeft gespeeld bij het afvoeren van bedrijfsafval van de snackbar. Het is betrokkene aan te rekenen dat hij zijn collega’s in een positie heeft gebracht waarin zij zich ook schuldig hebben gemaakt aan niet integer handelen.

5.4.Voorts is voldoende komen vast te staan dat betrokkene met zijn handelwijze op zijn minst de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt. Betrokkene haalde als vriendendienst kosteloos het bedrijfsafval van de snackbar op. De bevriende snackbareigenaar werd daarmee bevoordeeld ten opzichte van de ondernemers die wel voor afvoer van hun bedrijfsafval dienden te betalen. Daar stond dan tegenover dat betrokkene gratis een kopje koffie van de snackbareigenaar kreeg.

5.5.

Gelet op 5.2 tot en met 5.4. oordeelt de Raad dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan betrokkene is toe te rekenen, zodat het college bevoegd was hem disciplinair te straffen.

5.6.

De opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag is naar het oordeel van de Raad niet onevenredig te achten aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

5.6.1.

Appellant is gerechtigd om een groot gewicht toe te kennen aan het milieubelang en daarmee aan juiste toepassing van de regels inzake het inzamelen van afval, waarbij hij er zonder meer op moet kunnen vertrouwen dat de medewerkers van het team [naam team] deze regels niet overtreden. Na de gebeurtenissen in 2010 heeft appellant de integriteitsnormen aangescherpt ten aanzien van het inzamelen van afval. Betrokkene is toen onder andere door middel van de brief van 18 november 2010 voldoende duidelijk gemaakt dat specifiek dit soort niet integer gedrag, in welke vorm dan ook, niet langer door appellant geaccepteerd zou worden. Dat betrokkene de brief van 18 november 2010 als bijlage bij de op 24 november 2010 aan hem toegezonden brief, niet zou hebben ontvangen, zoals hij heeft gesteld, is niet aannemelijk. In die begeleidende brief is uitdrukkelijk naar die brief van 18 november 2010 met daarin de afspraken en de beschrijving van de aan het licht gekomen misstanden, verwezen. Betrokkene heeft nimmer naar de inhoud van die volgens hem ontbrekende bijlage geïnformeerd. Bovendien heeft betrokkene in het gesprek op 9 november 2011 erkend op de oogte te zijn van de inhoud van de brief van 18 november 2010 en de daarin neergelegde afspraken. Ook daarvan is betrokkene in zijn latere reactie op het verslag van dat gesprek niet teruggekomen. Betrokkene kende dus de consequenties van het handelen in strijd met de vereiste integriteit. Hij was een gewaarschuwd man. Daar waar in 2010 de pleger van het smezen nog is bestraft met een voorwaardelijk strafontslag, was het gezien de voorgeschiedenis toelaatbaar om bij nieuwe overtredingen inzake het inzamelen van afval zwaarder te straffen. Appellant heeft terecht in aanmerking genomen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan doorgaand gedrag, waarmee hij de gemeente financieel heeft gedupeerd.

5.6.2.

Betrokkene heeft ter verontschuldiging van zijn handelwijze nog aangevoerd dat hij geen kwaad zag in het kosteloos afvoeren van het afval van de snackbar omdat voor het ophalen van bedrijfsafval bij andere bedrijven in [plaatsnaam] de gemeente ook niet altijd facturen aan die bedrijven verzond. Volgens appellant hadden die bedrijven, in tegenstelling tot de eigenaar van de snackbar, echter wel een overeenkomst met de gemeente inzake het ophalen van bedrijfsafval. Dat de gemeente niet altijd de kosten daarvoor bij die bedrijven in rekening bracht, vormt - wat daar verder ook van zij - nog geen rechtvaardiging voor het zonder daaraan ten grondslag liggende overeenkomst meenemen van bedrijfsafval van de snackbar. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat collega’s van betrokkene, blijkens hun verklaringen, wel hebben ingezien dat het afvoeren van het bedrijfsafval van de snackbar niet door de beugel kon.

5.7.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, waarbij het aan betrokkene per

1 januari 2012 gegeven strafontslag is gehandhaafd, in stand dient te blijven. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Verder zal het besluit van 14 januari 2014 vernietigd moeten worden omdat aan dit besluit de grondslag is ontvallen.

6.

Nu het ontslag stand houdt bestaat er geen ruimte voor vergoeding van de door betrokkene gestelde schade.

7.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het besluit van 14 januari 2014;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktoberr 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C. Zijlstra

HD