Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
13-6194 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op goede gronden het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het door appellant ingediende beroepschrift bevat geen gronden van beroep. Verzuim is -ondanks verzoek daartoe - niet hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6194 WWB

Datum uitspraak: 4 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

14 november 2013, 13/3368 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Appellant is verschenen en heeft als getuige meegebracht [naam getuige 1.]. Het dagelijks bestuur is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 15 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de aanleg van een dubbelwandig rookkanaal en kachel ten behoeve van de warmtevoorziening afgewezen, op de grond dat bijzondere bijstand voor deze kosten in het individuele geval van appellant niet noodzakelijk is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het ingediende beroepschrift geen gronden bevat en dat appellant niet binnen de daartoe gestelde termijn beroepsgronden heeft ingediend. Weliswaar heeft appellant als reden voor het niet tijdig indienen van de gronden aangevoerd dat hij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 april 2013 heeft afgewacht alvorens de gronden van zijn beroep in te dienen, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat dit voor rekening en risico van appellant blijft.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn aanvraag om bijzondere bijstand ten onrechte is afgewezen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een tweetal uitspraken van de Afdeling van 28 mei 2013 en 25 september 2013 overgelegd. Ter zitting heeft appellant erkend dat hij de door de rechtbank gestelde termijn voor het indienen van de gronden van beroep ongebruikt heeft laten verstrijken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder 5, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift gronden van beroep. Artikel 6:6 van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het herstel te verzuimen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.

Niet is in geschil dat het door appellant ingediende beroepschrift geen gronden van beroep bevat. Bij brief van 20 juni 2013 heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de gronden van het beroep in te dienen. Daarin is tevens vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als appellant niet aan dit verzoek voldoet en ook niet binnen de gestelde termijn een verzoek om uitstel indient. Vaststaat dat appellant dit verzuim niet binnen de door de rechtbank daartoe gestelde termijn heeft hersteld. Appellant heeft ook niet om uitstel van herstel van dit verzuim verzocht. Appellant heeft niet gesteld dat dit laatste voor hem niet mogelijk was.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat de rechtbank bevoegd was het beroep met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik kunnen maken.

4.4.

Aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit komt ook de Raad niet toe.

4.5.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van E.H. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) E.H. Heemsbergen

HD