Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
12-6678 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv worden niet onzorgvuldig of onvolledig geacht. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Bij de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv was voldoende kennis aanwezig van de belangrijkste taken die appellant in zijn laatste functie heeft verricht en van de daarmee gepaard gaande fysieke en psychische belasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6678 ZW

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

31 oktober 2012, 12/5363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als medewerker financiële administratie bij een creditmanagementorganisatie, tevens detacheringsbureau. Hij was gedetacheerd bij een bank. Aansluitend aan dit dienstverband is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant heeft zich op 24 november 2011 ziek gemeld met psychische klachten, waarna het Uwv hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft toegekend. Op basis van een rapport van een verzekeringsarts van 17 april 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant bij besluit van dezelfde datum beëindigd met ingang van 23 april 2012.

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 april 2012. Bij besluit van

12 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 13 juni 2012.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv niet onzorgvuldig of onvolledig geacht en heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat bij de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv voldoende kennis aanwezig was van de belangrijkste taken die appellant in zijn laatste functie heeft verricht en van de daarmee gepaard gaande fysieke en psychische belasting.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat. Volgens appellant zijn met name zijn beperkte mogelijkheid tot conflicthantering, zijn moeite met het concentreren van de aandacht en zijn verhoogde prikkelbaarheid onvoldoende onderkend en was hij per 23 april 2012 niet in staat om zijn functie uit te voeren, omdat hij daarin conflictueuze en psychisch belastende gesprekken moest voeren met klanten. Appellant heeft zijn standpunt in hoger beroep onderbouwd met een rapport van

GZ-psycholoog Van Kampen van 17 september 2013.

3.2.

Het Uwv heeft een reactie van een bezwaarverzekeringsarts op het rapport van Van Kampen overgelegd en heeft op verzoek van de Raad nader onderzoek gedaan naar de taakomschrijving van appellant. Die bleek niet meer te achterhalen. Daarom heeft het Uwv naar voren gebracht dat hij bij het bestreden besluit heeft kunnen uitgaan van de werkomschrijving, zoals appellant die in de bezwaarprocedure heeft gegeven. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Ten aanzien van de verzekerde die geen werkgever heeft wordt op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Hoewel een werkomschrijving van de laatstelijk door appellant verrichte functie ontbrak en gebleken is dat deze niet meer is te achterhalen, wordt het oordeel van de rechtbank dat bij de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv voldoende kennis aanwezig was van de belangrijkste taken die appellant in zijn laatste functie heeft verricht en van de daarmee gepaard gaande fysieke en psychische belasting, onderschreven, omdat is uitgegaan van de vrij uitvoerige beschrijving die appellant op de hoorzitting heeft gegeven van zijn functie.

4.3

Appellant heeft in de loop van de procedure rapporten overgelegd van psychiater Vavic van 31 mei 2012 en 30 juli 2012 en van psycholoog Van Kampen van 17 september 2013. Volgens hem blijkt met name uit het rapport van Vavic van 31 mei 2012 dat hij per

23 april 2012 niet geschikt was voor zijn eigen werk.

4.4.

In het rapport van 31 mei 2012 heeft Vavic, werkzaam bij Brijder verslavingszorg, onder meer gesteld dat hij appellant in november en december 2011 heeft gezien, waarna appellant is aangemeld bij PsyQ voor systeemtherapie. PsyQ heeft appellant terugverwezen naar Brijder, waar hij op 1 en 22 mei 2012 weer is gezien door Vavic. Er is toen geconcludeerd dat sprake was van een matig depressief toestandsbeeld en spanningsklachten. Vavic heeft de eerder door hem voorgeschreven medicatie verhoogd en appellant opnieuw aangemeld bij PsyQ. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op 15 mei 2012 gezien op de hoorzitting en heeft toen bij appellant geen problemen waargenomen in de aandachtsconcentratie en geen prikkelbaarheid vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant per 23 april 2012 in staat geacht om de professionaliteit te betrachten om conflictueuze gesprekken met wanbetalers op een beleefde wijze af te handelen. Op basis van deze bevindingen en die van Vavic heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de matig ernstige depressie niet in de weg stond aan werkhervatting. Uit de nadien door appellant overgelegde rapporten volgt niet dat de bezwaarverzekeringsarts een onjuiste conclusie heeft getrokken. Het rapport van Vavic van 30 juli 2012 geeft de gezondheidssituatie van appellant per die datum weer en is daarom niet relevant voor een oordeel over het bestreden besluit. Voor het rapport van

Van Kempen van 17 september 2013, dat een overzicht bevat van de behandeling van appellant sinds zijn aanmelding in oktober 2012, maar geen informatie over appellants gezondheidssituatie per 23 april 2012, geldt hetzelfde.

4.5.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) E. Heemsbergen

HD