Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
13-3332 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft met ingang van 2 januari 2012 geen recht op WW-uitkering omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij per die datum ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren heeft verloren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 3332 WW

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

16 mei 2013, 13/162 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Jansen-Van Beek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Namens appellant is verschenen mr. Jansen-Van Beek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf 1 september 2003 werkzaam geweest als leerkrachtondersteuner bij de [naam Stichting] ([naam Stichting]) op basis van een voltijdse aanstelling. Naar aanleiding van een bedrijfsongeval heeft appellant zich op 8 september 2004 ziek gemeld. Hij heeft daarna zijn functie niet meer volledig vervuld. Het Uwv heeft geweigerd om appellant met ingang van 6 september 2006 een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij vanwege zijn werkhervatting bij de [naam Stichting] tegen 70% van de loonwaarde per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij vonnis van 14 april 2011 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat appellant vanaf 8 september 2006 werkzaam is voor gemiddeld 30 uur per week voor gemiddeld zes uren per dag, van maandag tot en met vrijdag van 08:00 uur tot 14:00 uur, en dat de compensatieregeling van artikel 3.9 van de CAO Primair Onderwijs vanaf 8 september 2006 van toepassing is. De kantonrechter heeft de [naam Stichting] veroordeeld om aan appellant te betalen het verschil in salaris tussen het oude en het nieuwe salaris gedurende een periode van vijf jaar voor 65% gecompenseerd, te rekenen vanaf 8 september 2006 zolang de arbeidsongeschiktheid van appellant voortduurt conform de compensatieregeling van de CAO Primair Onderwijs op basis van 0,7233 FTE.

1.3. Appellant heeft per 7 september 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Deze aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 26 oktober 2011 afgewezen op de grond dat geen sprake is geweest van een relevant arbeidsurenverlies en van verlies van het recht op loondoorbetaling.

1.4. De [naam Stichting] heeft de looncompensatie per 1 januari 2012 beëindigd, appellant met ingang van 1 januari 2012 ontslagen uit zijn functie wegens arbeidsongeschiktheid en hem met ingang van dezelfde datum benoemd in dezelfde functie met een werktijdfactor van 0,7233 FTE. In verband met deze wijzigingen in zijn salaris en werktijdfactor heeft appellant bij het Uwv een WW-uitkering aangevraagd per 2 januari 2012.

1.5. Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van

2 januari 2012 een WW-uitkering toe te kennen, omdat geen sprake is geweest van een relevant verlies van arbeidsuren. Het Uwv heeft op basis van de gegevens uit de polisadministratie vastgesteld dat appellant in de 26 kalenderweken voorafgaande aan

2 januari 2012 (referteperiode) gemiddeld 29,54 uur per week heeft gewerkt en vanaf

2 januari 2012 nog gemiddeld 26,77 uur per week werkzaam was. Hiermee heeft hij niet ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren verloren en is er per 2 januari 2012 geen recht op WW-uitkering ontstaan.

1.6. Bij besluit van 14 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 oktober 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft toegelicht dat uit de gegevens uit de polisadministratie blijkt dat appellant in de referteperiode gedurende 128 uur per maand heeft gewerkt en dat dit overeenkomt met 29,54 uur per week. Vanaf 1 januari 2012 werkte appellant nog 116 uur per maand hetgeen overeenkomt met 26,77 uur per week. Het Uwv heeft geen reden gezien om bij de berekening van het arbeidsurenverlies per 2 januari 2012 af te wijken van de gegevens uit de polisadministratie.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank kan niet staande worden gehouden dat de beëindiging van de looncompensatie als een verlies aan arbeidsuren moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit loonverlies en het feitelijk verlies aan arbeidsuren plaatsgehad op

7 september 2006 en had appellant per die datum bij het Uwv een WW-uitkering kunnen aanvragen. De eventueel toegekende WW-uitkering zou dan op grond van artikel 3.9, tweede lid, van de CAO Primair Onderwijs in mindering zijn gebracht op de door appellant ontvangen looncompensatie.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet begrijpt dat in het bestreden besluit is vermeld dat hij gemiddeld 128 uur per maand werkte. Hij had tot 1 januari 2012 een aanstelling van 1,0 FTE en vanaf 1 januari 2012 een aanstelling van 0,7233 FTE. Volgens de salarisspecificatie werkte hij tot 1 januari 2012 gemiddeld 159,72 uur per maand. Dit is 36,8 uur per week. Vanaf 1 januari 2012 werkte hij nog 115,52 uur per maand, hetgeen overeenkomt met 26,6 uur per week. Daarom is er volgens appellant per 2 januari 2012 wel sprake van een relevant arbeidsurenverlies. Als gevolg van de beëindiging van de looncompensatie per 1 januari 2012 is hij er ook in inkomen op achteruit gegaan. Tot

1 januari 2012 ontving appellant een salaris van € 2.560,- bruto per maand en vanaf

1 januari 2012 ontving hij nog € 1.851,65 bruto per maand. Ook uit deze inkomensachteruitgang blijkt volgens appellant dat per 1 januari 2012 sprake is geweest van een relevant arbeidsurenverlies.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 16, eerste lid, van de WW bepaalde ten tijde hier in geding dat werkloos is de werknemer die onder meer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren. Op grond van het tweede lid van artikel 16 werd onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Op grond van het zevende lid van artikel 16 konden bij ministeriële regeling voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid, regels worden gesteld omtrent de gelijkstelling van uren waarin geen arbeid is verricht met arbeidsuren.

4.2.

De minister heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt bij de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (Regeling). Artikel 1, aanhef en onder i, van de Regeling bepaalde dat voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW, met arbeidsuren worden gelijkgesteld uren waarin de werknemer niet heeft gewerkt als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid.

4.3.

Het Uwv heeft zich bij de berekening van het arbeidsurenverlies terecht gebaseerd op de gegevens uit de polisadministratie. Daaruit blijkt dat appellant in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan 2 januari 2012 gedurende 128 uur per maand heeft gewerkt hetgeen overeenkomt met gemiddeld 29,54 uur per week. Vanaf 2 januari 2012 heeft appellant 116 uur per maand gewerkt hetgeen overeenkomt met gemiddeld 26,77 uur per week. Hieruit volgt dat appellant per 2 januari 2012 niet ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren heeft verloren.

4.4.

Er bestaat geen aanleiding om af te wijken van de gegevens uit de polisadministratie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit vaste rechtspraak (onder meer ECLI:NL:CRVB:2007:BA6705) volgt dat het begrip arbeidsurenverlies in artikel 16, tweede lid, van de WW feitelijk moet worden opgevat, in die zin dat niet bepalend is het aantal overeengekomen uren volgens de arbeidsovereenkomst, maar het aantal uren dat appellant daadwerkelijk heeft gewerkt. Het feit dat appellant per 1 januari 2012 is ontslagen en per dezelfde datum is benoemd voor 0,7233 FTE brengt in aansluiting op de rechtspraak van de Raad mee, dat door de omvang van de nieuwe aanstelling feitelijk van nagenoeg dezelfde omvang werd gewerkt. Ten aanzien van het feit dat op de salarisstroken tot januari 2012 een arbeidsduur van 159,72 uur per maand staat vermeld heeft het Uwv er terecht op gewezen dat in die urenomvang tevens zijn begrepen de uren die appellant wegens arbeidsongeschiktheid niet kon werken. Deze uren zijn op de salarisstroken omschreven als verlofuren en bedragen 20% van zijn aanstelling. Appellant werkte feitelijk 80% van 159,72 uur per maand. Dat komt (afgerond) overeen met de 128 gewerkte uren per maand die tot

1 januari 2012 in de polisadministratie staan vermeld.

4.5.

Het Uwv heeft ter zitting overtuigend toegelicht dat artikel 1, aanhef en onder i, van de Regeling niet leidt tot een ander oordeel. Appellant heeft op grond van artikel 16, tweede lid, van de WW en de Regeling zijn arbeidsuren al op 7 september 2008 verloren. Het Uwv heeft in dit verband tevens gewezen op artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregels aansluiting

WW-beoordeling op WAO- en WIA-beoordeling van 8 juli 2008 (Strct. 2008, 142). De omstandigheid dat appellant ook na het intreden van zijn arbeidsurenverlies per

7 september 2006 uren niet heeft kunnen werken als gevolg van arbeidsongeschiktheid kan niet leiden tot een verhoging van het gemiddeld aantal arbeidsuren per 2 januari 2012 op grond van de Regeling. Het feit dat appellant op grond van artikel 3.9, tweede lid, van de CAO Primair Onderwijs is gecompenseerd voor de financiële gevolgen van de wijziging van zijn dienstverband staat los van het arbeidsurenverlies.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat appellant met ingang van

2 januari 2012 geen recht heeft op WW-uitkering omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij per die datum ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren heeft verloren. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) E. Heemsbergen

JS