Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
12-6210 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante dient te worden gesteld op 1 oktober 2008. Dit heeft tot gevolg dat appellante op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid en onder b (oud) van de Wet WIA beschouwd dient te worden als ware zij verzekerd ingevolge die wet. Om te kunnen bepalen of dit leidt tot een recht op uitkering dient het Uwv een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten waarbij 1 oktober 2008 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag geldt. Zonder een nader standpunt van het Uwv over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ten tijde van de datum 1 oktober 2008 is een finale beslechting van het geschil niet mogelijk. Hierin wordt aanleiding gezien om het Uwv op te dragen dit onderzoek te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6210 WIA-T

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch

van 2 november 2012, 12/2290 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M. Pommé, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pommé. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 5 december 2011 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 11 oktober 2010 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen op de grond dat appellante op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, zijnde 13 oktober 2008, niet voor de Wet WIA was verzekerd en zij ook niet voldeed aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 10, eerste lid en onder b, van de Wet WIA. Bij besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van

5 december 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit is het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juni 2012 ten grondslag gelegd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanknopingspunten te hebben gevonden om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de eerste ziektedag van appellante is gelegen op 13 oktober 2008 voor onjuist te houden. Volgens de rechtbank heeft appellante onvoldoende (medische) stukken ingebracht om haar stelling te onderbouwen dat haar eerste ziektedag is gelegen op (of omstreeks) 1 maart 2008. Op grond daarvan heeft de rechtbank vervolgens geen aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen zoals door appellante was verzocht.

3.

In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden gehandhaafd dat haar eerste ziektedag op of rond de datum van haar vrijwillige ontslag van

29 februari 2008 ligt en zij zich door gebrek aan ziekte-inzicht niet heeft gerealiseerd dat zij zich eigenlijk had moeten ziekmelden. Appellante heeft ook haar verzoek gehandhaafd om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Subsidiair heeft appellante naar voren gebracht dat haar psychiater op 1 oktober 2008 een spoedverwijzing voor opname in het Centrum voor Psychotherapie Venlo voor haar heeft geschreven waardoor haar eerste ziektedag op zijn laatst op 1 oktober 2008 ligt en zij daarom onder de reikwijdte van artikel 10, eerste lid en onder b, van de Wet WIA valt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tegen de achtergrond van de voorhanden gegevens met betrekking tot de medische situatie van appellante ten tijde hier van belang alsmede dat het hier een laattijdige

WIA-aanvraag betreft, is het niet onbegrijpelijk dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag doorslaggevend belang is gehecht aan de datum van appellantes opname in het Centrum voor Psychotherapie Venlo op 13 oktober 2008. Blijkens meergenoemd rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juni 2012 is de datum van 13 oktober 2008 bij gebrek aan andere objectieve informatie naar voren gekomen en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze datum arbitrair de best mogelijke datum geacht.

4.2.

Appellante heeft in hoger beroep het - subsidiaire - standpunt ingenomen dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag in ieder geval moet worden gesteld op 1 oktober 2008. Dit is de dag waarop haar toenmalige behandelend psychiater een spoedbericht voor opname heeft gestuurd naar het Centrum voor Psychotherapie Venlo.

4.3.

De Raad volgt appellante in dat standpunt. Geoordeeld wordt dat met voormeld spoedadvies de destijds behandelend psychiater te kennen heeft gegeven dat directe opname noodzakelijk was. Dat appellante vervolgens pas op 13 oktober 2008 is opgenomen, doet aan de urgentie die de behandelend psychiater in het ziektebeeld van appellante op 1 oktober 2008 zag, niet af. Bovendien is een opname van appellante in een GGZ-instelling reeds eerder ter sprake gekomen en blijkt uit de brief van de destijds behandelend psychiater dat vanwege het gebrekkige ziekte-inzicht van appellante eerst een uitvoerig motivatietraject noodzakelijk was voordat daadwerkelijk tot een opname kon worden besloten.

5.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 dient de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante te worden gesteld op 1 oktober 2008. Dit heeft tot gevolg dat appellante op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid en onder b (oud) van de Wet WIA beschouwd dient te worden als ware zij verzekerd ingevolge die wet. Om te kunnen bepalen of dit leidt tot een recht op uitkering dient het Uwv een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten waarbij 1 oktober 2008 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag geldt. Zonder een nader standpunt van het Uwv over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ten tijde van de datum 1 oktober 2008 is een finale beslechting van het geschil niet mogelijk. Hierin wordt aanleiding gezien om het Uwv op te dragen dit onderzoek te verrichten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op het in overweging 5 aangegeven onderzoek uit te voeren en binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) W. de Braal

JS