Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
10-3739 WAO-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning schadevergoeding. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv tot de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan zijn zes jaar en acht maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De Staat wordt veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade aan verzoekster tot een bedrag van € 1.500,-. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoekster tot een bedrag van € 1.500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3739 WAO-S

Datum uitspraak: 8 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie, Staat)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft bij brief van 1 juli 2010 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2010, 08/1659, in het geding tussen verzoekster en het Uwv.

Op 16 november 2012 heeft de Raad een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4588.

Bij brief van 22 januari 2013 heeft het Uwv de gebreken in het bestreden besluit van 22 april 2008 hersteld. Op 26 november 2013 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Verzoekster heeft hierop het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de nabetaling en om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn en voorts verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast is verzocht om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1262) heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente en heeft hij het Uwv veroordeeld in de proceskosten van verzoekster in hoger beroep. Verder heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM waarbij tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) als partij is aangemerkt.

Het Uwv heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Staat heeft afgezien van het geven van een schriftelijke uiteenzetting.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Allereerst wordt overwogen dat louter het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is.

1.2. In zijn uitspraak van 16 april 2014 heeft de Raad vastgesteld dat de procedure zes jaar en ruim zeven maanden heeft geduurd. Verder is vastgesteld dat het Uwv bijna acht maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift een beslissing op bezwaar heeft genomen. Daarnaast is overwogen dat de procedure in eerste aanleg één jaar en ruim elf maanden heeft geduurd en de procedure in hoger beroep drie jaar en ruim negen maanden, zodat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke fase als in de rechterlijke fase is geschonden.

1.3. Het Uwv heeft aangegeven geen toevoegingen te hebben naar aanleiding van de, in de overwegingen in de uitspraak van 16 april 2014 opgenomen, termijnen inzake de overschrijding van de redelijke termijn.

1.4. De Staat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt in de eerste plaats gewezen op de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (LJN BH1009).

2.2.

Voorts wordt gewezen op de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809, waarin de Raad heeft overwogen dat in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke fase dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie). Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

2.3.

Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 27 augustus 2007 tot de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan op 16 april 2014, zijn zes jaar en acht maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. De redelijke termijn is dan ook met twee jaar en acht maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van zes maal

€ 500,-, dit is € 3.000,-.

3.1.

Voor wat betreft de toerekening van dit bedrag wordt het volgende overwogen.

3.2.

In de bestuurlijke fase zijn vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op

27 augustus 2007 tot aan de datum van de beslissing op bezwaar van 22 april 2008, acht maanden verstreken, wat een overschrijding van de redelijke termijn oplevert van twee maanden.

3.3.

De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 2 juni 2008 tot de tussenuitspraak van de Raad van 16 november 2012 heeft vier jaar en zes maanden in beslag genomen. Dit betekent dat in deze fase de redelijke termijn in de rechterlijke fase van drie en een half jaar is overschreden met een jaar.

3.4.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:809, komt, indien niet binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het Uwv van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak is gedaan, de periode nadien voor rekening van de Staat. Omdat de bedoelde mededeling van het Uwv is gedaan op 22 januari 2013 komt de periode van 22 januari 2014 tot aan de einduitspraak op 16 april 2014 voor rekening van de Staat. De Staat wordt, mede gelet op de in 3.3 geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade aan verzoekster tot een bedrag van € 1.500,-. Het Uwv wordt, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarperiode, veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoekster tot een bedrag van € 1.500,-.

4.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling

aan verzoekster van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,-;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan verzoekster van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) P. Boer

HD