Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
13-2734 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van de verweten gedragingen kan niet worden gezegd dat bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand in overeenstemming met de verordening te verlagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2734 WWB, 14/2810 WWB

Datum uitspraak: 7 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 mei 2013, 12/2534 en 12/2535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Blom-Kroese.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving samen met zijn partner bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Voor hem gelden de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

In het kader van de plicht tot arbeidsinschakeling is appellant aangesteld als aankomend werknemer op basis van een werkervaringsovereenkomst bij [naam werkgever]. Deze aanstelling is voortijdig beëindigd.

1.3.

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het college de bijstand van 1 juni 2012 tot en met

31 juli 2012 verlaagd met 20% op de grond dat door het gedrag/acties van appellant de werkervaringsplaats voortijdig is beëindigd en appellant de kans op een aansluitende fulltime betaalde baan heeft verspeeld.

1.4.

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft het college de bijstand van 1 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2012 verlaagd met 10% op de grond dat appellant zonder bericht niet verschenen is op de uitnodiging om te verschijnen voor een gesprek op 21 mei 2012.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 oktober 2012 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 mei 2012 en 21 mei 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat hem met betrekking tot de in 1.3 en 1.4 beschreven gedragingen geen verwijt treft dat het opleggen van een maatregel rechtvaardigt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerst lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.1.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Zwolle 2008 (verordening), voor zover hier van belang, leidt het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting tot het gebruik maken van aangeboden voorzieningen voor re-integratie of sociale activering, bijvoorbeeld het niet verschijnen op een oproep of afspraak, tot een verlaging van de uitkering met 10% voor de duur van een maand.

4.2.2.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, van de verordening, voor zover hier van belang, leidt het blijk geven van gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel tot een verlaging van de uitkering met 20% voor de duur van twee maanden.

4.2.3.

Artikel 13, eerste lid, van de verordening bepaalt dat het college van het opleggen van een maatregel afziet indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Maatregel van 20%

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het traject bij [naam werkgever] (werkgever) een door het college aangeboden voorziening is gericht op arbeidsinschakeling en dat deze voorziening voortijdig is beëindigd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant geen verwijt kan worden gemaakt van het niet of onvoldoende meewerken aan die voorziening.

4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voortijdig beëindigen van de voorziening niet aan hem te verwijten is. Appellant heeft pas in de avond van 8 mei 2012 met een sms-bericht zijn werkgever in vage bewoordingen op de hoogte gesteld dat hij op 9 mei 2012 niet zou verschijnen. Op vragen die de werkgever op 9 mei 2012 in reactie op zijn

sms-bericht stelde, heeft appellant niet adequaat gereageerd. Naar aanleiding van deze

sms-contacten heeft de werkgever appellant bericht de samenwerking te beëindigen. Dat heeft appellant op zijn beloop gelaten en hij heeft daarna niets meer ondernomen om het tij mogelijk te keren. Gelet hierop kan ten aanzien van deze gedraging niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Maatregel van 10%

4.5.

Niet in geschil is dat appellant op 21 mei 2012 zonder bericht niet is verschenen op een afspraak om 09:00 uur. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant geen verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op die afspraak.

4.6.

Ook ten aanzien van deze gedraging kan niet gezegd worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant is bij brief van 10 mei 2012 uitgenodigd voor een gesprek met zijn werkcoach op 21 mei 2012 en is in het besluit van 14 mei 2012 nogmaals uitdrukkelijk op deze uitnodiging gewezen. De stellingen dat hij de brief van 10 mei 2012 te laat heeft ontvangen en dat hij, uit schrik over de opgelegde maatregel, over de herhaalde oproep in het besluit van 14 mei 2012 heeft heen gelezen en hij er ook niet bedacht op hoefde te zijn dat er in dat besluit meer stond dan de maatregel, treffen geen doel. De stelling dat hij de brief van 10 mei 2012 pas op 21 mei 2012 heeft ontvangen slaagt niet, reeds omdat appellant deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Met betrekking tot de stelling dat hij over de herhaalde oproep in het besluit van 14 mei 2012 heeft heen gelezen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit een omstandigheid is die voor zijn rekening en risico komt. Bovendien staat in de aanhef van het besluit vermeld dat het een participatiebesluit betreft, zodat appellant had kunnen althans moeten beseffen dat in dat besluit meer kon staan dan enkel het opleggen van een maatregel.

4.7.

Uit hetgeen onder 4.4 en 4.6 is overwogen volgt dat ten aanzien van de verweten gedragingen niet kan worden gezegd dat bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand in overeenstemming met de verordening te verlagen.

4.8.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) T.A. Meijering

HD