Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
13-4896 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bijstand van betrokkene wordt gedurende één maand verlaagd met 100%. Gezien de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid van betrokkene is het opleggen van een maatregel van 100% gedurende twee maanden niet gerechtvaardigd.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4896 WWB, 13/6056 WWB

Datum uitspraak: 7 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

30 juli 2013, 13/1401 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A.M. Berendsen, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2014. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.A. Marinus. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berendsen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 29 december 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor gehuwden. Op hem rust ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB de verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling.

1.2.

Bij besluit van 14 september 2012 heeft het college de bijstand van betrokkene gedurende één maand verlaagd met 20% omdat betrokkene zich zodanig had gedragen dat hij niet in aanmerking kwam voor een concrete vacature bij [bedrijf] en niet was verschenen bij een sollicitatietraining.

1.3.

Op kosten van het college heeft betrokkene zijn taxipas gehaald. Op 29 oktober 2012 is betrokkene via bemiddeling van het college aan het werk gegaan bij [taxibedrijf]. Dit betrof een proefplaatsing, waarbij hem na drie maanden bij goed functioneren een regulier contract aangeboden zou zijn.

1.4.

Bij besluit van 27 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

25 januari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van betrokkene met ingang van 1 december 2012 voor de duur van twee maanden verlaagd met 100%. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat betrokkene een aangeboden proefplaats, met uitzicht op betaalde reguliere passende arbeid, niet heeft behouden, waarbij voor de duur van de maatregel rekening is gehouden met het feit dat sprake was van recidive.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en het besluit van

27 november 2012 herroepen voor wat betreft de hoogte van de maatregel. De rechtbank heeft zelf voorzien en bepaald dat de bijstand van betrokkene gedurende één maand wordt verlaagd met 100%. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid van betrokkene het opleggen van een maatregel van 100% gedurende twee maanden niet rechtvaardigt.

3.1.

In hoger beroep heeft het college zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft het aangevoerd dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom in afwijking van de bepalingen van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012B (de Verordening) gekomen wordt tot een maatregel van 100% gedurende één maand. Daarnaast betwist het college het oordeel van de rechtbank omtrent de verminderde verwijtbaarheid van betrokkene.

3.2.

In het, naar aanleiding van het ingestelde principaal hoger beroep door het college, incidenteel ingestelde hoger beroep keert betrokkene zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de verweten gedraging hem kan worden aangerekend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven dat het niet behouden van de proefplaatsing van betrokkene bij [taxibedrijf] een overtreding vormt van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder b, van de WWB en dat het college derhalve gehouden was ingevolge de Verordening de bijstand van betrokkene te verlagen, tenzij geoordeeld moet worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbrak.

in het incidenteel hoger beroep

4.2.

Betrokkene heeft erkend dat hij tijdens de zes dagen die hij bij [taxibedrijf] heeft gewerkt meerdere keren te laat bij klanten is verschenen. Vaststaat dat hij zijn taxidiploma heeft behaald en dat hij in dat kader heeft moeten leren om ook zonder navigatiesystemen routes te rijden. Nu betrokkene niet heeft verklaard waarom desondanks niet van hem mocht worden verlangd dat hij dit in het kader van zijn proefplaatsing bij [taxibedrijf] zou kunnen doen, kan niet worden geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbrak, zoals door hem is betoogd. De beroepsgrond van betrokkene slaagt niet.

in het principaal hoger beroep

5.1.

Het oordeel van de rechtbank dat de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid van betrokkene de opgelegde maatregel van 100% gedurende twee maanden niet rechtvaardigt, is in rechtsoverweging 4 van de aangevallen uitspraak gemotiveerd. De rechtbank hecht er waarde aan dat het college heeft bevestigd dat betrokkene, in afwijking van gemaakte afspraken met het taxibedrijf, steeds wisselende routes heeft moeten rijden, dat betrokkene slechts een inwerktijd heeft gehad van één dag, op welke dag hij wel met navigatieapparatuur heeft gereden en dat betrokkene slechts enkele dagen bij het taxibedrijf heeft gewerkt, zodat hem geen reële periode tot verbetering is gegund.

5.2.

De beroepsgrond van het college dat de rechtbank haar oordeel omtrent de mate van verwijtbaarheid niet zou hebben gemotiveerd, slaagt daarom niet. Voor zover het college met de beroepsgrond heeft willen betogen dat de rechtbank in haar oordeel omtrent de mate van verwijtbaarheid gehouden zou zijn aan de systematiek van de Verordening, slaagt deze grond niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 17 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD7679) ligt in artikel 18, eerste lid, van de WWB, gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel, besloten dat bij het vaststellen van de verlaging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging bij het niet nakomen van de opgelegde verplichtingen. Nadat de rechtbank tot haar oordeel was gekomen dat de uit de Verordening voortvloeiende maatregel gezien de ernst van deze gedraging en de mate van verwijtbaarheid niet passend was, stond het haar vrij om deze met toepassing van artikel 18 van de WWB te matigen. Voor het in de beroepsgrond besloten liggende standpunt dat zij daarbij gehouden zou zijn aansluiting te zoeken bij de Verordening van het college, bestaat geen grond.

5.3.

Het college heeft nog toegelicht dat betrokkene bij goed functioneren tijdens de proeftijd alsnog in overeenstemming met de afspraken vaste routes had kunnen gaan rijden. Daarnaast is uit nadere informatie, verkregen van het taxibedrijf, gebleken dat betrokkene vanuit huis kon inloggen op de computer van de werkgever, zodat er geen excuus was voor hem om de ritten niet van tevoren voor te bereiden. Dit betreft in wezen een nadere aanvulling van de feiten door het college ter onderbouwing van de overtreding van de verplichting als bedoeld in 4.1, en doet daarmee niet af aan het oordeel omtrent de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid waartoe de rechtbank op grond van de door haar gegeven motivering is gekomen.

5.4.

Het onder 4.2, 5.2 en 5.3 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 478,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

HD