Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
13-2430 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet op objectieve en verifieerbare wijze duidelijkheid verschaft over zijn inkomsten. Hierdoor is niet vast te stellen of appellant in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Omdat het recht op algemene bijstand niet is vast te stellen, dient de aanvraag om bijzondere bijstand eveneens te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2430 WWB, 13/2431 WWB

Datum uitspraak: 7 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

3 februari 2012, 11/415 en 11/557 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J. Amsing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2014. Namens appellant is

mr. Amsing verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

De bijstand van appellant ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) is bij besluit van

30 juni 2010 ingetrokken met ingang van 21 juni 2010 wegens het niet verstrekken van inlichtingen.

1.2.

Op 19 augustus 2010 heeft appellant aanvragen gedaan om algemene en bijzondere bijstand. Naar aanleiding van de aanvraag om algemene bijstand voor de kosten in het levensonderhoud heeft met appellant op 26 augustus 2010 een intakegesprek plaatsgevonden. Omdat het college na dit gesprek nog nadere gegevens verlangde om de aanvraag te kunnen beoordelen, is appellant bij brieven van 31 augustus 2010, 9 september 2010 en

24

september 2010 een hersteltermijn gegeven om de nog ontbrekende gegevens te overleggen. Bij brief van 28 september 2010 is appellant een hersteltermijn gegeven om dezelfde ontbrekende gegevens te overleggen in het kader van zijn aanvraag om bijzondere bijstand.

1.3.

Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft het college de aanvraag van appellant om algemene bijstand buiten behandeling gesteld omdat hij binnen de hersteltermijn onvoldoende gegevens heeft verstrekt voor de beoordeling van de aanvraag of ter voorbereiding van het besluit. Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand op dezelfde grond buiten behandeling gesteld.

1.4.

Bij afzonderlijke besluiten van 3 maart 2011 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaarschriften van appellant tegen de besluiten van 11 en 12 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Voor zover thans nog in geschil, is daartoe overwogen dat het college terecht heeft geoordeeld dat appellant binnen de hersteltermijn geen deugdelijke boekhouding heeft overgelegd van zijn werkzaamheden als ijsventer.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij binnen de hersteltermijn adequaat op de verzoeken van het college heeft gereageerd en dat hij met de door hem overgelegde bescheiden voldoende gegevens heeft verschaft om een deugdelijke beoordeling van de aanvraag door het college mogelijk te maken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De rechtbank heeft dit terecht tot uitgangspunt genomen.

4.2.

In reactie op de verzoeken van het college heeft appellant diverse gegevens toegezonden, waaronder handgeschreven overzichten van zijn inkomsten en uitgaven over de periode van 11 mei 2010 tot 11 september 2010 en daarnaast diverse inkoopbonnen en facturen. Zoals ter zitting is erkend, heeft het college deze overgelegde gegevens in de bestreden besluiten inhoudelijk beoordeeld alvorens tot de conclusie te komen dat geen sprake was van een deugdelijke administratie. Onder die omstandigheden is geen plaats voor het oordeel dat appellant onvoldoende gegevens heeft verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken, zodat het college niet bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

4.3.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de overgelegde administratie niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Bij de rechtbank tijdens de behandeling van het door appellant ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, tijdens de hoorzitting in bezwaar en ter zitting bij de rechtbank tijdens de behandeling van zijn beroep, is appellant bevraagd op de door hem overgelegde administratie. Tijdens de bezwaarfase heeft appellant ook nog aanvullende gegevens overgelegd. Appellant is daarmee voldoende in de gelegenheid geweest op het inhoudelijke standpunt van het college te reageren, zodat hij niet in zijn belangen wordt geschaad door een inhoudelijke afdoening van zijn aanvraag in dit stadium van de procedure. De Raad ziet dan ook aanleiding, met het oog op de finale beslechting van het geschil, zelf in de zaak te voorzien.

4.4.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 19 augustus 2010 tot en met 11 oktober 2010. Bij de beantwoording van de vraag of de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd noodzakelijk zijn, is de situatie op het moment van de aanvraag het uitgangspunt. De peildatum voor de beoordeling van deze aanvraag is dan ook 19 augustus 2010.

4.5.

Door appellant is niet betwist dat voor een beoordeling van zijn recht op bijstand in de te beoordelen periode de gevraagde inlichtingen omtrent zijn inkomsten over de periode van

11 mei 2010 tot en met 9 september 2010 van belang zijn. De bijstand van appellant is eerder ingetrokken omdat hij onvoldoende inlichtingen had verschaft, onder meer ook over zijn inkomsten als ijsventer. Bij besluit van 4 april 2010 had het college hem bovendien de verplichting opgelegd om een deugdelijke boekhouding bij te houden inzake zijn werkzaamheden, dagelijks op te schrijven wat hij had verkocht en welke inkomsten hij hieruit had gegenereerd. Niettemin heeft appellant bij zijn huidige aanvragen met betrekking tot de periode 11 mei 2010 tot en met 9 september 2010 niet meer overgelegd dan aan de hand van zijn agenda achteraf opgemaakte overzichten van inkomsten en een aantal bonnen, waarvan de relatie met de overzichten niet meteen duidelijk is. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overzichten niet verifieerbaar zijn, omdat bijvoorbeeld geen kasboek is bijgehouden of kassabonnen of kassarollen zijn overgelegd waaruit de daadwerkelijke omzet kan worden afgeleid. Ter zitting bij de voorzieningenrechter is voorts gebleken dat appellant niet alleen ijs vent, maar daarnaast frisdrank en snacks verkoopt en dat hij ook verkoopt op braderieën en bijvoorbeeld communiefeesten, terwijl dit niet uit de overgelegde administratie blijkt. Op die zitting is verder gebleken dat appellant geen verklaring kan geven voor de alleen maar “ronde” bedragen aan inkomsten die uit zijn administratie blijken. Ook blijkt uit de overgelegde administratie van appellant niet van inkopen na 13 juli 2010, terwijl de verkoop van, onder andere, verse producten is doorgegaan tot en met september 2010. Tot slot blijkt dat sommige van de overgelegde overzichten over dezelfde periode inhoudelijk tegenstrijdig zijn. Geoordeeld moet dan ook worden dat appellant niet op objectieve en verifieerbare wijze duidelijkheid heeft verschaft over zijn inkomsten over de periode

11 mei 2010 tot en met 9 september 2010. Hierdoor is niet vast te stellen of appellant in de hier te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Omdat het recht op algemene bijstand niet is vast te stellen, dient de aanvraag om bijzondere bijstand eveneens te worden afgewezen.

4.6.

Gelet op 4.2 tot en met 4.5 zal de Raad de besluiten tot het buiten behandeling stellen van 11 oktober 2010 en 12 oktober 2010 herroepen en daarvoor in de plaats stellen de afwijzing van de aanvragen.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.461,- in bezwaar, € 1.461,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep, dus in totaal € 3.896,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de besluiten van 3 maart 2011;

- herroept de besluiten van 11 oktober 2010 en 12 oktober 2010, en bepaalt dat deze uitspraak

in de plaats treedt van de besluiten van 3 maart 2011;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.896,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

HD