Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
13-3988 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3988 WWB

Datum uitspraak: 7 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juni 2013, 13/33 en 13/1701 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Urk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E. Toet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Toet. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Kramer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 22 juni 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder die de kosten van het bestaan kan delen.

1.2.

Mede naar aanleiding van een melding dat de woning van appellant en zijn dochter [dochter]aan[adres] (uitkeringsadres) wordt onderverhuurd, heeft de Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Het college heeft in dat verband bij besluit van 24 september 2012 de uitbetaling van bijstand van appellant met ingang van

1 september 2012 geblokkeerd. In het kader van het onderzoek heeft de sociale recherche vervolgens dossieronderzoek gedaan, gegevens opgevraagd bij openbare diensten, waarnemingen verricht, appellant op 19 september 2012 verhoord en buurtbewoners als getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 23 oktober 2012.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2012 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2012 tot 1 september 2012 tot een bedrag van € 7.037,49 van hem terug te vorderen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting een onjuiste opgave heeft gedaan van zijn woonadres. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2012 tot en met 7 november 2012.

4.2.

Tussen partijen is enkel nog in geschil de vraag of het besluit tot intrekking van de bijstand op de grond dat appellant een onjuiste opgave van zijn woonadres heeft gedaan, in rechte stand kan houden.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

De onderzoeksbevindingen bieden, anders dan appellant meent, een toereikende grondslag voor het oordeel dat hij in de te beoordelen periode niet zijn woonadres heeft gehad op het uitkeringsadres. De voorzieningenrechter is op juiste gronden tot die conclusie gekomen. Daartoe is het volgende van belang. Uit een notitie van 13 februari 2012 van een medewerker van woningbouwstichting [woningbouwstichting], [naam 1], blijkt dat [dochter] op deze datum aan hem heeft meegedeeld dat haar vader niet meer op het uitkeringsadres woont maar bij een vriendin. [naam 1] heeft op 6 juni 2012 tegenover een sociaal rechercheur bevestigd dat [dochter] die mededeling aan hem heeft gedaan. Voorts komt betekenis toe aan het feit dat het energiecontract met betrekking tot het uitkeringsadres per

21 maart 2012 op naam van [naam 2] is overgezet. Uit de toelichting van appellant ter zitting is gebleken dat [naam 2] de wijziging in de tenaamstelling ongeveer een maand voorafgaande aan de omzetting heeft aangevraagd en dat vanaf dat moment zijn vriendin [naam vriendin] op het uitkeringsadres woonachtig was. Appellant heeft voorts op 19 september 2012 verklaard, en ter zitting bevestigd, dat hij op het adres van zijn zus woonachtig was vanaf het moment dat [naam vriendin] op het uitkeringsadres verbleef. Bovengenoemde verklaringen vinden steun in de verklaring van getuige [naam getuige] die op

16 juli 2012 heeft verklaard dat appellant de woning aan het uitkeringsadres onderverhuurt aan een man die laat in de avond thuiskomt en dat daar ook een vrouw woont die kort geleden is bevallen. Appellant komt af en toe even langs maar verblijft volgens [naam getuige] al langere tijd niet meer op dit adres.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat appellant geen juiste opgave heeft gedaan van zijn woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan met ingang van 1 februari 2012 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van deze datum in te trekken.

4.6.

Dat de kantonrechter van de rechtbank in kort geding heeft geoordeeld dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de conclusie dat [dochter] niet in de woning aan [adres] haar hoofdverblijfplaats heeft gehad, is in het onderhavige geding niet van belang. De kantonrechter heeft immers in dat geding geoordeeld over de ontbinding van het huurcontract tussen [dochter] en [woningbouwstichting] en, anders dan in het onderhavige geding, was bij de kantonrechter niet het hoofdverblijf van appellant maar dat van [dochter] aan de orde.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) S.W. Munneke

HD