Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
13-1283 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding; minimale duur van het hoofdverblijf.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/355 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
NJB 2014/1867
RSV 2014/254
JWWB 2014/260
RSV 2014/263
AB 2015/123

Uitspraak

13/1283 WWB

Datum uitspraak: 23 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

28 januari 2013, 12/2784 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jacquemard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M.A. Leijtens.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 15 november 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante samenwoont met haar vriend heeft de sociale recherche van het team Handhaving van de regio ’s-Hertogenbosch (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, bij de woning van appellante waarnemingen gedaan en op 14 februari 2012 met appellante en aansluitend met [naam] een gesprek gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 februari 2012.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 augustus 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 18 januari 2012 en de over de periode van 18 januari 2012 tot en met 31 januari 2012 gemaakte kosten van verleende bijstand tot een bedrag van € 401,35 van haar teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en[naam] vanaf

18 januari 2012 een gezamenlijke huishouding voeren en dat zij hiervan geen melding heeft gemaakt aan het college.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding de duur niet van belang is.[naam] verbleef slechts tijdelijk in de woning van appellante omdat zij in verband met haar borstoperatie op 18 januari 2012 ondersteuning behoefde. Hij heeft geen hoofdverblijf in haar woning gehad. Voorts was geen sprake van wederzijdse zorg, maar van eenzijdige zorg van[naam] voor appellante.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 18 januari 2012 tot en met 27 februari 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4.

Vaststaat dat appellante op 18 januari 2012 een operatie heeft ondergaan en dat[naam] vanaf die datum feitelijk verbleef in de woning van appellante. Niet in geschil is verder dat appellante geen melding heeft gemaakt van het verblijf van[naam] in haar woning na 18 januari 2012. In geschil is de vraag of[naam] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante en of de duur van zijn feitelijk verblijf in haar woning daarbij een rol speelt.

4.5.

Uit de memorie van toelichting bij artikel 3 van de WWB volgt dat de wetgever bij de begripsomschrijving van de gezamenlijke huishouding er bewust voor heeft gekozen het criterium “duurzaam” niet op te nemen (Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 32). Dat het aspect duurzaamheid geen rol speelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding, betekent niet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat de duur van het feitelijk verblijf geen rol speelt. Uit de memorie van toelichting blijkt namelijk dat het niet opnemen van het duurzaamheidscriterium niet tot gevolg heeft dat een kortdurend verblijf in de woning van een ander al tot een gezamenlijke huishouding leidt. Daartoe dient immers sprake te zijn van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Bij tijdelijk verblijf is daarvan geen sprake.

4.6.

Wanneer sprake is van een kortdurend of tijdelijk verblijf in vorenbedoelde zin is niet nader ingevuld door de wetgever. De vraag of sprake is van een kortdurend of tijdelijk verblijf in dezelfde woning dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij tekent de Raad aan dat de duur van het verblijf één van de omstandigheden is waaruit het hoofdverblijf kan worden afgeleid. Een gezamenlijk hoofdverblijf kan eveneens worden afgeleid uit andere concrete feiten en omstandigheden. Het verplaatsen van persoonlijke spullen naar, dan wel het ontvangen van post op het adres van de woning waar betrokkenen gezamenlijk verblijven zijn onder meer omstandigheden die kunnen duiden op het verplaatsen van het hoofdverblijf, zodat in die gevallen ongeacht de duur geen sprake zal zijn van een kortdurend of tijdelijk verblijf.

4.7.

Eerst op 14 februari 2012 heeft appellante tegenover de sociale recherche verklaard dat[naam] vanaf 18 januari 2012 in haar woning verbleef, hetgeen[naam] diezelfde dag heeft bevestigd. In bezwaar en beroep heeft appellante gesteld dat[naam] tot 19 februari 2012 bij haar heeft verbleven en vervolgens uit haar woning is vertrokken. Appellante heeft van het gestelde vertrek van[naam] uit haar woning echter geen melding gemaakt bij het college en heeft ook op geen enkele (andere) wijze aannemelijk gemaakt dat[naam] vanaf die datum feitelijk niet meer verbleef in haar woning.

4.8.

Gelet op 4.4 en 4.7 moet als vaststaand worden aangenomen dat[naam] gedurende de gehele periode in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Reeds gelet op de duur van het verblijf van[naam] aldaar kan, anders dan appellante stelt, niet worden gesproken van een tijdelijk of kortdurend verblijf van[naam] waarin[naam] geacht moet worden zijn hoofdverblijf niet te hebben verplaatst. Dat[naam] bij appellante verbleef om haar te verzorgen maakt dit niet anders. Immers, de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.9.

De door appellante op 14 februari 2012 afgelegde verklaring biedt verder voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg. Appellante heeft aan[naam] onderdak geboden en kookte voor hen samen.[naam] heeft appellante na haar operatie verzorgd en deed soms de boodschappen. Niet gebleken is dat de zorg in dit geval volstrekt eenzijdig is geweest. Daarbij is van belang dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.10.

Uit 4.8 en 4.9 volgt dat appellante in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met[naam].

4.11.

Uit 4.8 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.K. Dekker

HD