Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
13-5545 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7352, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende. Terugvordering. Appellante woonde niet op haar GBA-adres. De bevindingen van de huisbezoeken op de GBA-adressen van appellante en haar ouders kunnen de conclusie dragen dat appellante niet woonde op haar GBA-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5545 WSF

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

26 september 2013, 13/204 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Soebhag. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1. De Minister heeft, voor zover hier van belang, over de periode januari 2012 tot en met juli 2012 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 30 november 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [Adres A] te [plaatsnaam]. De ouders van appellante staan in de GBA ingeschreven onder het naastgelegen adres [Adres B] te [plaatsnaam].

1.2. Bij besluit van 15 september 2012 heeft de Minister appellante vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 1.333,78, dat als gevolg van de herziening te veel aan appellante is betaald, teruggevorderd. Aan de herziening en terugvordering heeft de Minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit huisbezoeken op 30 juni 2012 op de GBA-adressen van appellante en haar ouders, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van

30 augustus 2012. Daarin wordt het volgende beschreven. De woning op het GBA-adres van appellante wordt bewoond door de heer [naam], zijn echtgenote en hun twee kinderen. Appellante was op het moment van de controle aanwezig op het adres van haar ouders. [naam] wist in eerste instantie niet wie appellante was. Appellante heeft de controleurs de woning op haar GBA-adres getoond. Deze woning heeft 1 slaapkamer. Daar bevonden zich een tweepersoonsbed voor [naam] en zijn echtgenote en voor de kinderen een kinderbedje en een matras op de grond. Appellante heeft verklaard dat ze doordeweeks ook in deze kamer slaapt op een matras, welke ze na gebruik steeds opruimt. In het weekend verblijft appellante bij haar ouders. Op het GBA-adres van appellante hebben de controleurs geen schoolboeken en geen kleding van haar aangetroffen. In de woning van de ouders werd de controleurs een slaapkamer getoond met een stapelbed en een éénpersoonsbed. In deze kamer werden schoolboeken en kleding van appellante aangetroffen. Appellante heeft verklaard dat ze op deze kamer samen met haar twee zussen slaapt.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 september 2012. Zij heeft gesteld dat de woning op haar GBA-adres eigendom is van haar vader en zij de hoofdbewoner is van die woning.

1.4. Bij besluit van 5 december 2012 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 september 2012 ongegrond verklaard. De Minister handhaaft zijn standpunt dat uit de huisbezoeken is gebleken dat appellante niet woont op haar GBA-adres. Voor wat betreft de periode waarover de herziening heeft plaatsgevonden is in het bestreden besluit aangegeven dat als een student niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de GBA, herziening plaatsvindt uiterlijk tot de datum van inschrijving op het laatst bekende GBA-adres.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de Minister zich op grond van de bevindingen van het huisbezoek terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in de periode januari 2012 tot en met juli 2012 niet op haar GBA-adres woonde. Daartoe is het volgende overwogen. Vaststaat dat appellante de bevindingen van het huisbezoek niet heeft betwist. Op grond van die bevindingen is niet aannemelijk dat appellante, samen met een gezin met twee kinderen, woonachtig is in de tweekamerwoning op haar GBA-adres. Daarbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de omstandigheid dat tijdens het huisbezoek aan die woning geen persoonlijke spullen van appellante, zoals kleding, administratieve bescheiden, studiemateriaal dan wel spullen voor persoonlijke verzorging, zijn aangetroffen. Evenmin bleek een slaapplek voor appellante aanwezig te zijn. Het betoog dat appellante iedere dag haar persoonlijke spullen, waaronder haar matras, naar haar ouders meeneemt acht de rechtbank niet aannemelijk.

3.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij ten tijde hier van belang wel woonde op haar GBA-adres. Appellante stelt dat het onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig is dat [naam] zou hebben aangegeven dat hij appellante in het geheel niet kent. Zodoende betwist zij de inhoud van het rapport van de bevindingen van het huisbezoek. Verder geeft appellante aan dat de controle in het weekend heeft plaatsgevonden en het geenszins onbegrijpelijk is dat zij, nu zij in het weekend bij haar ouders verblijft, haar eigendommen dan meeneemt naar haar ouders.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1. In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.

4.1.3. De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.1.4 Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

4.1.5. Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de Minister zijn conclusie dat appellante niet woonde op haar GBA-adres heeft kunnen baseren op de bevindingen van de huisbezoeken op de GBA-adressen van appellante en haar ouders als neergelegd in het rapport van 30 augustus 2012. In dat rapport worden de feiten duidelijk weergegeven en deze feiten kunnen de conclusie dragen dat appellante niet woonde op haar GBA-adres.

In wat appellante daar tegenover heeft gesteld wordt geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de waarnemingen van de controleurs en wat daarvan in de rapportage is weergegeven noch aan de daaruit getrokken conclusie. In het rapport wordt anders dan appellante stelt niet vermeld dat [naam] heeft aangegeven appellante in het geheel niet te kennen, maar dat hij in eerste instantie niet wist wie appellante was. De ter zitting ingenomen stelling dat [naam] vanwege een zakelijk geschil met de vader van appellante het deed voorkomen alsof hij appellante niet kende is in tegenspraak met het eerder ingenomen standpunt dat het onwaarschijnlijk is dat [naam] de controleurs zou hebben verteld dat hij appellante niet kent. Wat hier alles ook verder van zij, de vermelding in het rapport dat [naam] in eerste instantie niet wist wie appellante was doet op geen enkele wijze afbreuk aan de feitelijke constateringen van de controleurs. Er is door de controleurs vastgesteld dat appellante op het GBA-adres geen slaapplek heeft en op dat adres werden geen bezittingen van appellante aangetroffen. De daarvoor door appellante gegeven verklaring dat zij in het weekend haar persoonlijke spullen, waaronder haar matras en al haar kleding, meeneemt naar de naastgelegen woning van haar ouders waar zij in het weekend verblijft omdat zij, zoals zij ter zitting heeft verklaard, bang is dat haar spullen zoekraken op het GBA-adres, is niet geloofwaardig. Bovendien acht de Raad het niet geloofwaardig dat appellante zoals zij stelt doordeweeks met de familie [naam] zou wonen in de tweekamerwoning op het GBA-adres en aldaar zou studeren in de woonkamer en samen met een gezin van vier personen zou slapen op de enige slaapkamer (die volgens appellante ongeveer tien vierkante meter groot is) in die woning, terwijl zij - bovendien - op het naastgelegen adres van haar ouders een vaste slaapplaats heeft. De door appellante ter zitting voor die woonsituatie gegeven verklaring, namelijk dat zij een eigen leven los van haar ouders wilde opbouwen, overtuigt de Raad geenszins.

4.3.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5.

Nu het hoger beroep niet slaagt, en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

JL