Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
12-5981 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering met ingang van de datum van overplaatsing naar de Forensisch Psychiatrische Afdeling te doen herleven. Appellant valt naar de letter niet onder een van de uitzonderingscategorieën van artikel 44, eerste lid, van de WIA. In zijn uitspraak ECLI:NL:CRVB:2013:1858 heeft de Raad voorts een uitzondering toegepast in een situatie van iemand die op grond van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens door de strafrechter sterk verminderd toerekeningsvatbaar was geacht en aan wie de strafrechter daarom uitsluitend de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging had opgelegd en geen gevangenisstraf. Voor appellant geldt echter dat de strafrechter heeft geoordeeld dat het gepleegde feit hem volledig kan worden toegerekend en hem ter zake een gevangenisstraf heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5981 WIA

Datum uitspraak: 3 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
20 september 2012, 12/535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Skála, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2014. Namens appellant is verschenen mr. Skála. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving vanaf 19 september 2008 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met ingang van 21 juli 2010 is deze uitkering beëindigd wegens detentie. Appellant verbleef op dat moment in voorlopige hechtenis in de Penitentiaire Inrichting [plaatsnaam 1]. Op 2 december 2010 is appellant in verband met detentieongeschiktheid onder toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de Penitentiaire Beginselenwet overgeplaatst naar de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) te [plaatsnaam 2]. Op 24 maart 2011 heeft de rechtbank Groningen appellant veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden(ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ2003). Op 11 november 2011 heeft het gerechtshof Leeuwarden appellant in appel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden (ECLI:NL:GHLEE:2011:5186).

1.2. Appellant heeft het Uwv verzocht zijn uitkering op grond van de Wet WIA met ingang van de datum van zijn overplaatsing naar de FPA op 2 december 2010 te doen herleven. Bij besluit van 20 december 2011 heeft het Uwv dit geweigerd.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 20 december 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep primair herleving bepleit van zijn uitkering met ingang van 2 december 2010. Subsidiair heeft hij betoogd dat hem in ieder geval een uitkering toekomt over de 180 verlofdagen die hij in de periode van 1 april 2011 tot en met

18 juni 2012 heeft gehad. Appellant heeft in de periode van 1 april 2011 tot en met

18 juni 2012 weekendverlof gehad en in de periode van 18 juni 2011 tot en met 18 juni 2012 heeft hij daarnaast ook op woensdag verlof gehad. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zijn situatie vergelijkbaar is met de gevallen bedoeld in de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet bopz) en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarvoor in artikel 44, eerste lid, van de Wet WIA, een uitzondering is gemaakt op de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder d, van de Wet WIA.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat tijdens zijn verblijf op de FPA de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder d, van de Wet WIA onverkort op appellant van toepassing is gebleven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 43, aanhef en onder d, van de Wet WIA bepaalt dat als uitsluitingsgrond voor het recht op uitkering geldt dat betrokkene rechtens is vrijheid zijn ontnomen.

4.2.

Volgens artikel 44, eerste lid, van de Wet WIA is artikel 43, onderdeel d, van de Wet WIA niet van toepassing op: a. de gevallen bedoeld in de Wet bopz en in artikel 37, eerste lid, Sr; en b. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een justitiële inrichting. De onder b bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit extramurale vrijheidsbenemingen en sociale zekerheid.

4.3.

Naar tussen partijen niet in geschil is valt appellant naar de letter niet onder een van de uitzonderingscategorieën van artikel 44, eerste lid, van de Wet WIA.

4.4.

In zijn uitspraak van 18 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680) heeft de Raad de door de wetgever in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet WIA gecreëerde uitzondering tevens toegepast in geval van dwangverpleging op grond van artikel 37b Sr nadat ontslag van alle rechtsvervolging heeft plaatsgevonden. In zijn uitspraak van
18 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1858) heeft de Raad deze uitzondering voorts toegepast in een situatie van iemand die op grond van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens door de strafrechter sterk verminderd toerekeningsvatbaar was geacht en aan wie de strafrechter daarom uitsluitend de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging had opgelegd en geen gevangenisstraf.

4.5.

Appellant heeft betoogd dat voor zijn situatie een uitzondering moet worden aangenomen op dezelfde voet als voor de in 4.4 beschreven gevallen. De Raad volgt appellant hierin niet. De door de wetgever omschreven uitzonderingscategorieën en de situaties die daarmee in de rechtspraak van de Raad gelijk zijn gesteld hebben gemeen dat het gaat om personen aan wie het door hen gepleegde feit vanwege hun gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis in het geheel niet kan worden toegerekend of slechts in zodanig beperkte mate dat een gevangenisstraf niet aan de orde is. Voor appellant geldt echter dat de strafrechter heeft geoordeeld dat het gepleegde feit hem volledig kan worden toegerekend en hem ter zake een gevangenisstraf heeft opgelegd. Evenals de rechtbank is de Raad daarom van oordeel dat van een gelijkstelling als door appellant bepleit geen sprake kan zijn. Dat de selectiefunctionaris appellant onder toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de Penitentiaire Beginselenwet heeft laten overbrengen naar de FPA doet aan het voorgaande niet af.

4.6.

Voor een onderscheid tussen verlofdagen en dagen waarop appellant feitelijk op de FPA verbleef bestaat, zoals door de rechtbank terecht geoordeeld, geen grond in de relevante bepalingen, nu appellant ook tijdens verlof aangemerkt moest worden als een persoon die rechtens zijn vrijheid ontnomen was.

4.7.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E.W. Akkerman en
F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2014.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) W. de Braal

NW