Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
12-2797 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt.

Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2797 WIA

Datum uitspraak: 3 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

30 maart 2012, 11/4128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.W.C. Lipman, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lipman. Het Uwv heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als [naam functie] in de luchtvaartsector, heeft zich op 14 maart 2009 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met rugklachten.

1.2. Bij besluit van 21 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 4 februari 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 8 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2011 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Hiertoe heeft zij overwogen dat sprake is geweest van een zorgvuldig en toereikend medisch onderzoek. De verzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek, de anamnese en het verrichten van lichamelijk onderzoek de mogelijkheden van appellant onderzocht en de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2011. Daarbij is informatie van de huisarts meegewogen, waaronder brieven van behandelend neurologen en neurochirurgen. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen ten aanzien van de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek, lichamelijk onderzoek en weging van in bezwaar overgelegde medische stukken geen argumenten gezien om af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de FML. Ook het in beroep overgelegde rapport van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 27 februari 2012, waarin te kennen is gegeven dat de beperkingen van appellant ten aanzien van de beoordelingspunten ‘afwisseling van houding’ (aspect 5.9 van de FML), ‘werken boven schouderhoogte’, ‘reiken’ en ‘frequent reiken’ niet juist zijn vastgesteld, maakt de beoordeling niet anders. Daartoe is overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van beoordelingspunt ‘afwisseling van houding’ overtuigend heeft toegelicht dat de aangenomen beperkingen in de rubriek statische houdingen voldoende mogelijkheid bieden tot het aannemen van een andere houding en dat een specifieke opeenvolging van verschillende houdingen niet vereist is. De visie van Offermans dat appellant naar eigen behoefte moet kunnen vertreden is niet onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen en waarom appellant niet beperkt wordt geacht ten aanzien van de psyche. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.

2.3. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt medische stukken ingezonden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de medische grondslag van het bestreden besluit vormt in overwegende mate een herhaling van de door hem in beroep naar voren gebrachte gronden. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen, worden onderschreven.

4.2.

Over de in hoger beroep overgelegde medische informatie wordt overwogen dat deze de beoordeling niet anders maakt. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 13 juni 2014 voldoende toegelicht waarom de overgelegde informatie haar geen aanleiding heeft gegeven een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de beperkingen op de datum in geding. In dit verband is, in reactie op het rapport van Offermans van 24 mei 2012, nogmaals opgemerkt dat Offermans de afwijkingen aan de wervelkolom van appellant heeft beschreven, waardoor afwisseling van houding nodig is, maar dat Offermans niet heeft kunnen verklaren waarom een specifieke volgorde van houdingen noodzakelijk is. Nu appellant slechts lichte lasten tot ongeveer 500 gram kan hanteren, vormt de lichaamslengte van appellant, anders dan door Offermans wordt betoogd, verder geen nadeel bij reiken. In reactie op de brief van neurochirurg H. Ardon van 22 november 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat de afwijkingen aan de thoracale en lumbale wervelkolom bekend zijn en zijn meegewogen en dat deze informatie, voor zover deze ziet op de datum in geding, aansluit bij reeds bekende gegevens. De informatie van de psycholoog, waarin melding gemaakt wordt van psychofysiologische insomnie, dateert volgens de bezwaarverzekeringsarts van na de datum in geding. Ook uit de informatie van longarts R.M. Aleva van 2 oktober 2013, waarin is opgemerkt dat bij appellant sprake is van een matig obstructief slaapapneu syndroom (OSAS), blijkt niet dat de belastbaarheid van appellant is miskend. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband toegelicht dat de klachten van slapen bij de heroverweging in bezwaar zijn meegewogen en dat bij rapport van 26 oktober 2011 is uiteengezet waarom de klachten niet leiden tot meer beperkingen. De door Aleva vastgestelde diagnose OSAS maakt dit niet anders omdat geen sprake is van een ziektebeeld met zodanig ernstige energetische belemmeringen dat appellant, ongeacht de zwaarte van de werkzaamheden, slechts parttime kan werken.

4.3.

Ervan uitgaande dat de medische beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de voor appellant geselecteerde functies, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit is gesteld op minder dan 35%, niet passend zijn voor appellant. Dit is met het rapport van de arbeidsdeskundige van 21 april 2011 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 november 2011 in voldoende mate toegelicht.

4.4.

Uit de overwegingen 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) D.E.P.M. Bary

IJ