Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
12-4115 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te verhogen. Geen sprake van toegenomen beperkingen als bedoeld in artikel 39a van de WAO. Nu er geen objectief medisch substraat is om de toegenomen subjectieve klachten van appellant te verklaren, ziet de bezwaarverzekeringsarts geen grond om bijkomende of forsere beperkingen te duiden. Geen aanknopingspunten om deze beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4115 WAO

Datum uitspraak: 3 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

28 juni 2012, 12/183 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.E. Temmen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een medische verklaring ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsvonden op 11 juli 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 23 juli 2001 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker groenvoorziening wegens klachten op basis van een hernia diafragmatica. Vanaf einde wachttijd heeft hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, welke uitkering laatstelijk per

22 december 2008 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Bij brief van 13 april 2011 is namens appellant melding gemaakt van een verslechtering van zijn gezondheidstoestand en is verzocht om een herbeoordeling in het kader van de WAO.

1.3. Bij besluit van 16 september 2011 heeft het Uwv geweigerd om zijn WAO-uitkering te verhogen. Daaraan ligt de overweging van de verzekeringsarts ten grondslag dat er geen sprake is van een objectief vast te stellen toename van de arbeidsbeperkingen.

1.4. Bij besluit van 6 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 september 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv zijn belastbaarheid niet juist heeft gewaardeerd. Hij betoogt dat zijn beperkingen zijn toegenomen. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een ongedateerd verslag van de maag-, darm- en leverarts J.T. Brouwer ingezonden, aangaande een consult op 3 oktober 2012.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding ligt de vraag voor of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen als bedoeld in artikel 39a van de WAO.

4.2.

Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij appellant op de datum in geding sprake was van toegenomen beperkingen in vergelijking met de situatie ten tijde van de WAO-beoordeling per 22 december 2008. De verzekeringsartsen zijn bij de beoordeling in 2008 uitgegaan van maag-, oog- en schouderklachten en een gehooraandoening. Appellant werd op basis van een hernia diafragmatica beperkt geacht voor omstandigheden die gepaard gaan met een verhoging van de spierspanning van de buikspieren. De beperkingen van appellant zijn beschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 februari 2009. De verzekeringsarts heeft op

5 september 2011 gerapporteerd dat appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld met aandoeningen die ook bij de voorgaande beoordelingen zijn vermeld, maar dat op basis van eigen onderzoek en ontvangen informatie van de huisarts, waaronder een bijgevoegde brief van de oogarts, niet kan worden opgemaakt dat inderdaad sprake is van een objectief vast te stellen toename van beperkingen. De verzekeringsarts heeft daarbij betrokken dat, in verband met de gestelde toename van klachten, geen aanvullende behandeling heeft plaatsgevonden en dat het (door de huisarts) ingezette behandelbeleid niet noemenswaardig is gewijzigd. De verzekeringsarts acht de opgestelde FML van 16 februari 2009 nog actueel. De bezwaarverzekeringsarts heeft in hetgeen ter hoorzitting door appellant naar voren is gebracht en in de tijdens de bezwaarprocedure ingezonden medische informatie geen argumenten gezien om af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekerings-arts rapporteert dat de brief van internist Wallinga van 2 oktober 2002 de gezondheidstoestand van appellant op 19 oktober 2001 beschrijft. Met de beschreven aandoening, hernia diafragmatica, is, aldus de bezwaarverzekeringsarts, reeds rekening gehouden. Hij heeft geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand sindsdien is gewijzigd. De bezwaarverzekeringsarts heeft van belang geacht dat er geen nieuwe onderzoeken hebben plaatsgevonden. De bezwaarverzekeringsarts overweegt verder dat er geen aanpassingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de behandeling van de gewrichten, het gehoor en de visusproblemen noch waren er redenen voor nieuwe verwijzingen. Er zijn geen aanknopingspunten om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.

4.3.

Het door appellant in hoger beroep overgelegde verslag van Brouwer kan niet leiden tot een andersluidend oordeel. De bezwaarverzekeringsarts rapporteert op 9 november 2012 dat uit het verslag van Brouwer blijkt dat er ten opzichte van eerder onderzoek in 2002 geen verslechtering is opgetreden van de medische toestand van de maag en de slokdarm. De bezwaarverzekeringsarts rapporteert dat door Brouwer zelfs over een genezen refluxoesofagitis wordt gesproken. Nu er geen objectief medisch substraat is om de toegenomen subjectieve klachten van appellant te verklaren, ziet de bezwaarverzekeringsarts geen grond om bijkomende of forsere beperkingen te duiden. De Raad ziet geen aanknopingspunten om deze beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) D.E.P.M. Bary

IJ