Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
12-4310 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. De belasting in de geselecteerde functies gaat de mogelijkheden van appellant niet te boven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4310 WAO

Datum uitspraak: 3 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 juni 2012, 12/431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is oorspronkelijk werkzaam geweest als bandleider. Per 11 december 2002 ontvangt hij in verband met nekklachten een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft nadien bij zijn eigen werkgever hervat in passend werk. De WAO-uitkering van appellant werd met ingang van 21 juni 2005 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Op 26 februari 2009 heeft appellant zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld met buikklachten. Deze klachten bleken verband te houden met een niercarcinoom.

1.3. Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 24 februari 2011 vastgesteld naar de klasse 80 tot 100%.

1.4. Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 25 juli 2011 herzien naar de klasse 15 tot 25%.

1.5. Bij besluit van 4 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 mei 2011 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en vastgesteld dat appellant op en na 25 juli 2011 (ongewijzigd) 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat zijn WAO-uitkering per 9 januari 2012 wordt herzien naar de klasse 25 tot 35%. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant ten gevolge van klachten van het bewegingsapparaat (bestaande uit nek- en rugklachten), psychische klachten, lawaaidoofheid en COPD beperkt is in zijn belastbaarheid en met inachtneming van de voor hem vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 november 2011 geschikt is de voor hem door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. Zij heeft overwogen dat het tot de specifieke deskundigheid van de bezwaarverzekeringsarts behoort om op basis van de beschikbare medische gegevens de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid vast te stellen. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich voor zijn beoordeling gebaseerd op eigen bevindingen en op medische gegevens van, onder meer, de behandelaar van appellant in Turkije en van zijn psycholoog bij NOAGG. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan de subjectieve beleving van appellant dat hij ernstiger beperkt is, in het licht van het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium, geen doorslaggevende betekenis toe. Zij heeft meegewogen dat appellant geen nieuwe informatie heeft ingebracht die doet twijfelen aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Voor zover appellant heeft willen betogen dat hij niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt, heeft de rechtbank hem hierin niet gevolgd, omdat niet gebleken is dat appellant voldoet aan de hiervoor geldende criteria zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit.

2.2.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige bij een rapport van 2 december 2011 inzichtelijk en toereikend heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies, ook op de door appellant in zijn beroepschrift opgesomde aspecten, geschikt zijn voor hem.

3.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat het Uwv zijn lichamelijke en psychische beperkingen te licht heeft ingeschat. Hij heeft nogmaals benadrukt dat hij ten gevolge van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming beperkt is in zijn belastbaarheid. Hij heeft betoogd dat de door de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering om geen aanvullende beperkingen aan te nemen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, ontoereikend is. Gelet op zijn psychische en lichamelijke klachten acht appellant een duurbeperking geïndiceerd. Hij acht zich tot slot niet in staat de geselecteerde functies te vervullen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van de bij de rechtbank aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapporten van 18 november 2011, 3 januari 2012 en

14 september 2012 inzichtelijk gemotiveerd dat de psychische problematiek bij appellant rond de datum in geding te duiden is als een milde psychische aandoening en dat de voor appellant vastgestelde beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren volstaan. De bezwaarverzekeringsarts is in zijn rapport van 18 november 2011 onder meer ingegaan op de geclaimde beperkingen ten aanzien van concentratie en het verdelen van de aandacht. Daarin is vermeld dat de bezwaarverzekeringsarts bij eigen onderzoek naar de psyche heeft vastgesteld dat de aandacht en concentratie goed lijken. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 3 januari 2012, 20 maart 2012 en 14 september 2012 inzichtelijk toegelicht dat er geen argumenten zijn om extra beperkingen vast te stellen in verband met de heup- en knieklachten, omdat er nimmer objectiveerbare afwijkingen zijn geconstateerd. Appellant heeft zijn stelling dat deze klachten objectiveerbaar zijn ook niet met medische stukken onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van

18 november 2011 uiteengezet dat er geen argumenten zijn voor een duurbeperking, omdat appellant niet voldoet aan de criteria beschreven in de Standaard verminderde arbeidsduur. Daarin is onder meer vermeld dat er geen sprake is geweest van een verminderde beschikbaarheid vanwege een opname of dagbehandeling, dat er gelet op de anamnese en onderzoeksbevindingen geen aanwijzingen zijn dat er bij appellant ten tijde in geding sprake was van een energiedeficit en dat de aandoening niet zodanig ernstig is dat er preventieve argumenten waren voor een duurbeperking. Hij heeft voorts toegelicht dat er voldoende medische informatie voorhanden was om tot een beoordeling te komen, zodat er geen meerwaarde te verwachten was van een onderzoek door een specialist. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts niet juist te achten. Hierin ligt besloten dat het de Raad niet onjuist voorkomt dat de rechtbank geen argumenten heeft gezien om een deskundige te benoemen voor een expertise. Appellant heeft in hoger beroep overigens geen nadere medische gegevens ingebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel.

4.2.

Uitgaande van de in de FML vastgelegde belastbaarheid heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de belasting in de geselecteerde functies, ook wat betreft de aanwezige soldeerdampen in de functie wikkelaar, de mogelijkheden van appellant niet te boven gaan.

4.3.

Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) D.E.P.M. Bary

IJ