Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
13-4999 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5687, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Buiten behandeling stellen van de aanvraag. Appellant heeft geen afschriften overgelegd. Besluit 2: Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. Besluit 3: Buiten behandeling stellen van de aanvraag. Appellant heeft niet binnen de daarvoor gestelde termijn de gevraagde gegevens overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4999 WWB, 13/5000 WWB, 13/5002 WWB

Datum uitspraak: 30 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

1 augustus 2013, 12/1567 (aangevallen uitspraak 1), 12/1367 (aangevallen uitspraak 2), 13/1746 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het bestuur heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 19 augustus 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 16 november 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in de vorm van een geldlening. Bij besluit van 8 februari 2012 zijn de over de periode 16 november 2010 tot en met 31 juli 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd in verband met nader in aanmerking te nemen middelen als gevolg van de definitieve boedelverdeling tussen hem en zijn ex-echtgenote.

1.2.

Op 22 februari 2012 heeft appellant zich gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen.

Naar aanleiding hiervan heeft het bestuur bij brief van 26 maart 2012 appellant gevraagd afschriften van al zijn binnen- en buitenlandse bank-, giro- en spaarrekeningen over te leggen met betrekking tot de periode van 1 december 2011 tot en met maart 2012. Appellant heeft binnen de daarvoor gestelde termijn afschriften over de gevraagde periode overgelegd van rekening [bankrekeningnummer]van de Rabobank en van rekening [bankrekeningnummer B]van de ING. Naar aanleiding van het onderzoek dat heeft geleid tot het terugvorderingsbesluit van

8 februari 2012 is bij het bestuur het vermoeden gerezen dat appellant ook beschikt over een buitenlandse bankrekening en over een ING-Plusrekening. Omdat appellant daarvan geen afschriften heeft overgelegd, heeft het bestuur bij besluit van 23 april 2012 (besluit 1) de aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.3.

Op 1 mei 2012 heeft appellant zich wederom gemeld voor het aanvragen van bijstand.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het bestuur bij brief van 6 juni 2012 appellant gevraagd afschriften van al zijn binnen- en buitenlandse bank-, giro- en spaarrekeningen over te leggen met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2011. Voorts heeft het bestuur gevraagd naar de polis en afkoopwaarde van de verzekering bij Universal Leven, naar schriftelijke verklaringen voor diverse opnames van rekening [bankrekeningnummer B], naar schriftelijke verklaringen voor twee kasstortingen op rekening [bankrekeningnummer]en naar een opgave van de besteding van de uit de boedelverdeling aan appellant toebedeelde bedragen van € 24.500,- en € 10.610,81. Bij brief van 25 juni 2012 heeft het bestuur appellant verzocht de nog ontbrekende gegevens over te leggen. Bij besluit van 9 juli 2012 (besluit 2) heeft het bestuur de aanvraag van 1 mei 2012 afgewezen. Appellant heeft volgens het bestuur geen, althans onvoldoende, verklaring gegeven voor de opgenomen en gestorte bedragen op de rekeningen [bankrekeningnummer]en [bankrekeningnummer B]in de maanden maart en april 2012. Ook heeft appellant geen opgave gedaan van het saldo per 31 december 2011 van rekening [bankrekeningnummer]. Hiermee heeft appellant niet, dan wel onvoldoende voldaan aan de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.4.

Op 12 juli 2012 heeft appellant zich nogmaals gemeld voor het aanvragen van bijstand.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het bestuur appellant bij brief van 16 augustus 2012 opnieuw verzocht om de nog ontbrekende gegevens, zoals eerder opgevraagd bij de brief van 25 juni 2012, over te leggen. Bij besluit van 5 september 2012 (besluit 3) heeft het bestuur de aanvraag van 12 juli 2012 buiten behandeling gesteld omdat appellant niet binnen de daarvoor gestelde termijn de gevraagde gegevens heeft overgelegd.

1.5.

Bij besluit van 27 september 2012 (bestreden besluit 1) heeft het bestuur het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit van 13 november 2012 (bestreden besluit 2) heeft het bestuur het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit 3) heeft het bestuur het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

aangevallen uitspraak 1

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het verzoek van het bestuur in de brief van 25 juni 2012 om meer en andere stukken over te leggen dan waarom in de brief van 14 juni 2012 al was verzocht, in strijd komt met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Voorts heeft appellant aangevoerd dat besluit 2 geen grondslag vindt in de brief van 14 juni 2012 en dat het bestreden besluit 2 daarom in strijd is met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij alle verzochte informatie heeft verstrekt, terwijl artikel 53a van de WWB niet een integrale bevoegdheid schept om te bepalen welke informatie de aanvrager dient te verstrekken.

4.2.

Deze gronden zijn louter een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. Er bestaat geen reden daarover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De door de rechtbank gegeven overwegingen worden onderschreven. De Raad volstaat hier met een verwijzing daarnaar.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de opgevraagde informatie met betrekking tot de rekening bij de Rabobank bekend is, althans bekend behoort te zijn bij het bestuur. Het verzoek aan appellant om alsnog gegevens over deze rekening over te leggen is daarom in strijd met het verbod van dubbele gegevensuitvraag.

4.4.

Deze grond slaagt niet, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

26 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5633), waarin het volgende is overwogen:

“De Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen is op 1 januari 2008 in werking getreden. Artikel 17, eerste lid, van de WWB luidt vanaf 1 januari 2008 als volgt:

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. Reeds omdat de ministeriële regeling genoemd in de laatste volzin van dit artikellid tot op heden niet is vastgesteld, blijft de op appellant rustende inlichtingenverplichting onverkort van toepassing.”

aangevallen uitspraak 2

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij alle informatie, waarover hij beschikt tijdig heeft overgelegd. Dit is een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. Er bestaat geen reden daarover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De door de rechtbank gegeven overwegingen worden onderschreven. Volstaan wordt met een verwijzing daarnaar.

4.6.

Voorts heeft appellant de beroepsgrond tegen de aangevallen uitspraak 1, zoals weergegeven onder 4.3, hier herhaald. Deze beroepsgrond is hiervoor, onder 4.4 al verworpen.

aangevallen uitspraak 3

4.7.

Appellant heeft de gronden die hij tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft aangevoerd, zoals weergegeven onder 4.5 en 4.6, hier herhaald. Volstaan wordt met een verwijzing naar de overwegingen terzake.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en P.W. van Straalen en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD