Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
13-215 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat, ten tijde van het ontslagbesluit, aan de voorwaarden voor een ongeschiktheidsontslag was voldaan. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. De Raad ziet mede gelet op het tijdsverloop geen mogelijkheden tot herstel van het bedoelde gebrek en zal daarom het ontslagbesluit van 8 februari 2011 herroepen. De minister zal zich, uitgaande van het hier en nu, nader moeten beraden over de rechtspositie van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/215 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

29 november 2012, 12/1083 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 2 oktober 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.B. de Jong hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M. Ju.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant was werkzaam als [naam functie 1] bij de [naam dienst]. Vanaf 2004 heeft hij herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij zich, gelet op een aantal veranderingen in de werkomstandigheden, niet langer prettig voelde in zijn functie. In de daaropvolgende jaren is appellant herhaaldelijk uitgevallen vanwege spanningsklachten en huidproblemen.

1.1.

Op 6 juni 2007 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld. Van 4 juli 2007 tot 20 juli 2007 was hij in het ziekenhuis opgenomen vanwege huidproblemen. Op 24 juli 2007 is hij gezien door de bedrijfsarts, die heeft geconcludeerd dat er geen arbeidsbeperking is als gevolg van de huidaandoening, maar andersom: een huidaandoening als gevolg van arbeidsproblemen op de werkvloer. Het is, aldus de bedrijfsarts, dus zaak om de spanningsklachten die hun oorsprong vinden op het werk als oorzaak van een eventuele verergering van de huid- of andere klachten zo spoedig mogelijk (structureel) aan te pakken. Dat is, aldus de bedrijfsarts, geen medisch probleem. De bedrijfsarts achtte appellant, met als leidraad het STECR-protocol bij Arbeidsconflicten dat in een afkoelingsperiode van twee weken voorziet, per 14 augustus 2007 weer arbeidsgeschikt, maar heeft daarbij geadviseerd een deskundigenoordeel aan te vragen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). In een rapportage van 24 augustus 2007 heeft de bedrijfsarts deze bevindingen herhaald. Appellant heeft gevolg gegeven aan het advies tot het vragen van een deskundigenoordeel. Op 25 september 2007 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant zijn eigen werk op de geschildatum 14 augustus 2007 niet kon doen en dit ook niet kon op de datum van het onderzoek, 20 september 2007. De bedrijfsarts heeft op 6 november 2007 laten weten zich bij dit oordeel aan te sluiten en heeft geadviseerd om appellant na 20 september 2007 tot nader order volledig in de Ziektewet te houden. Volgens de bedrijfsarts zal terugkeer van appellant naar de huidige arbeidssituatie een negatieve invloed hebben op zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid.

1.2.

Appellant is niet meer teruggekeerd in zijn functie bij de [naam dienst]. Op 20 november 2007 is hem meegedeeld dat hij zal worden aangemeld bij het Diensten Centrum Re-integratie (DCR). Op 7 mei 2008 is een besluit tot tijdelijke tewerkstelling bij het DCR genomen. In de periode nadien heeft appellant werkzaamheden verricht bij Defensieonderdelen in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2]. Appellant is intussen gestart met opleidingen tot inkoper en heeft op

24 november 2009 zijn diploma NEVI-mil behaald. Vanaf 1 december 2009 was appellant bovenformatief werkzaam als [naam functie 2] bij [naam compagnie] in [plaatsnaam 3]. Per 1 april 2010 is de tijdelijke tewerkstelling bij het DCR beëindigd. Appellant heeft zijn werkzaamheden in [plaatsnaam 3] voortgezet door middel van een detacheringsconstructie.

1.3.

Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellant gelegenheid te hebben geboden daarop te reageren, heeft de minister appellant bij besluit van 8 februari 2011, met ingang van 1 maart 2011, ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft zijn werkzaamheden in [plaatsnaam 3] tot aan de ontslagdatum voortgezet en heeft op 10 maart 2011 zijn diploma NEVI-1 behaald. Bij besluit van 22 december 2011 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit van 8 februari 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder g, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet de ongeschiktheid waarop deze bepaling doelt, zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn.

3.2.

Appellant is gedurende meer dan 20 jaar naar ieders tevredenheid werkzaam geweest bij Defensie, waarvan een substantiële periode in zijn laatste functie van [naam functie 1]. Uit de gedingstukken en hetgeen partijen over en weer ter zitting hebben verklaard, komt naar voren dat hij na de samenvoeging van twee directies en, met name, de daarmee gepaard gaande komst van een nieuwe leidinggevende, spanningsklachten heeft ontwikkeld en zich niet meer gelukkig voelde in zijn werk. Een daaropvolgende herindeling van rayons heeft de situatie verder verslechterd. Appellant heeft meermaals aan zijn onvrede uiting gegeven en daarbij te kennen gegeven een andere functie te ambiëren. Een en ander levert niet zo zeer het beeld op van het ontstaan van tekortkomingen in de functievervulling, maar laat zich veeleer kenschetsen als het zich ontwikkelen van problemen binnen de arbeidsverhoudingen en dan met name in de samenwerking met de leidinggevende, waarmee overigens niets is gezegd over de vraag aan wie die problemen in overwegende mate te wijten zijn geweest.

3.3.

Voor ongeschiktheid in de onder 3.1 bedoelde zin is niet steeds vereist dat de functievervulling niet naar behoren is. Eveneens volgens rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8882) kan ook in gevallen waarin de ambtenaar op grond van persoonlijke motieven waarvoor geen grond te vinden is in objectieve feiten en omstandigheden, niet bereid is zijn functie weer te gaan vervullen, sprake zijn van functieongeschiktheid als onder 3.1 bedoeld. De Raad is er evenwel ook niet van overtuigd geraakt dat zo’n situatie in dit geval aan de orde was. Nog los van het feit dat de minister weinig licht heeft doen schijnen over de feiten en de omstandigheden die appellant tot zijn opstelling hebben gebracht, is niet gebleken dat appellant daadwerkelijk heeft geweigerd de eigen functie nog langer te vervullen. Niet uit het oog mag worden verloren dat de laatste ziekmelding van appellant is aanvaard door het Uwv. Partijen hebben zich vervolgens gericht op re-integratie elders. De minister heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat de ziekteregistratie van appellant in 2010 nog niet was beëindigd, dit om de bemiddeling door het DCR mogelijk te maken. Van een weigering de eigen werkzaamheden te verrichten kan ook in zoverre niet worden gesproken.

3.4.

Bij dit alles is niet zonder betekenis dat het ontslag dateert van bijna vier jaar na het uitvallen van appellant op 6 juni 2007. De conclusie van de minister tot functieongeschiktheid berust kennelijk eerst en vooral op de feiten van toen. Sindsdien is er veel veranderd, met name ook in de sfeer van de arbeidsomstandigheden en -verhoudingen. De door partijen ter zitting van de Raad genoemde standplaatswijziging van [plaatsnaam 4] naar [plaatsnaam 5] vormt daarvoor al een aanwijzing. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt het ontslag door de feiten ten tijde daarvan kan worden gedragen. De aan appellant tegengeworpen functieongeschiktheid wordt in elk geval niet bevestigd door de wijze waarop hij, zij het in een andere dan de eigen functie, heeft gefunctioneerd in [plaatsnaam 3]. Deze functievervulling is met een goede beoordeling afgesloten.

3.5.

Het voorgaande betekent dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat, ten tijde van het ontslagbesluit, aan de voorwaarden voor een ongeschiktheidsontslag was voldaan. De aangevallen uitspraak kan dus geen stand houden en ook het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet mede gelet op het tijdsverloop geen mogelijkheden tot herstel van het bedoelde gebrek en zal daarom het ontslagbesluit van 8 februari 2011 herroepen. De minister zal zich, uitgaande van het hier en nu, nader moeten beraden over de rechtspositie van appellant.

4.

Het voorgaande geeft aanleiding de minister veroordelen in de kosten van appellant, in bezwaar tot een bedrag van € 974,-, in beroep tot een bedrag van € 974, en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 974,-, alles voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 december 2011;

  • -

    herroept het ontslagbesluit van 8 februari 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats

treedt van het besluit van 22 december 2011;

  • -

    veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.922,-;

  • -

    bepaalt dat de minister appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht ten bedrage van in totaal € 384,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

NK