Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
13-545 WWAJ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:7490, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen sprake van te verwachten excessief ziekteverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/545 WWAJ

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 december 2012, 12/2410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend .

Namens appellant zijn nadere gegevens in het geding gebracht, waarop namens het Uwv door de bezwaarverzekeringsarts is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1992, heeft op 24 november 2011 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Wajong ingediend, omdat hij voor zijn zeventiende levensjaar arbeidsongeschikt is geworden vanwege de gevolgen van Familiaire Mediterrane Koorts (FMF).

1.2. Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant 75% van het minimumloon kan verdienen en om die reden niet voor een uitkering op grond van de Wet Wajong in aanmerking komt. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit onderschreven. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van te verwachten excessief ziekteverzuim dat afbreuk zou doen aan de geschiktheid van de voor appellant geduide functies.

3.1.

Appellant houdt in hoger beroep staande dat er gelet op de gevolgen van zijn ziekte sprake zal zijn van structureel en excessief ziekteverzuim en onder die omstandigheden tewerkstelling van een werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden. De wijze waarop het Uwv een ziekteverzuimrisico van 18,5% heeft vastgesteld acht appellant discutabel. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst hij op de verklaring van zijn huisarts en op een ziekteverzuimuitdraai van school.

3.2.

Het Uwv heeft in verweer verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat partijen uitsluitend nog verdeeld zijn over de omvang van het te verwachten ziekteverzuim.

4.2.

In het rapport van de verzekeringsarts van 6 januari 2012 is vermeld dat appellant heeft verklaard dat hij eenmaal per maand een week verzuimt in verband met een FMF-aanval en hij tussen de aanvallen geen klachten heeft. Uit informatie van de behandelend internist,

dr. A. Berghout, van 18 augustus 2011, blijkt dat appellant dat jaar vijf maal een episode van buikpijn bij FMF heeft gehad, waarvoor hij niet naar het ziekenhuis is geweest en dat hij van 16 augustus tot en met 18 augustus 2011 is opgenomen geweest wegens buikpijn bij FMF. Naar aanleiding van deze informatie heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van een verhoogd verzuimrisico. In zijn bezwaarschrift vermeldt appellant dat hij soms een week lang niet kan opstaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant het voordeel van de twijfel gegeven en heeft een verhoogd verzuimrisico aangenomen van maximaal vier werkdagen aaneengesloten per kalendermaand. Volgens de bezwaarverzekeringsarts strookt dit met de gegevens van de internist. De reële frequentie van de aanvallen is dus iets minder dan één keer per maand. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige bestaat er, uitgaande van

260 werkdagen per jaar, een verzuimrisico van 18,5% per jaar, tewerkstelling kan in dat geval in redelijkheid nog van een werkgever worden verwacht.

4.3.

Uit vaste rechtspraak, verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 30 mei 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AE8622, blijkt dat bij een te verwachten ziekteverzuim van circa 25% de grens van wat in redelijkheid nog van een werkgever kan worden verlangd, niet wordt overschreden. In navolging van de rechtbank kan de Raad in de beschikbare gegevens geen steun vinden voor de stelling van appellant dat het te verwachten ziekteverzuim meer dan 25% bedraagt. Deze stelling is ook in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwd. Uit het overgelegde verzuimoverzicht van het ROC Albeda College kan niet worden afgeleid dat het daar weergegeven verzuim enkel verband houdt met appellants ziekte. Uit de aantekeningen bij het overzicht blijkt evenzeer dat appellant soms liever naar zijn werk gaat in plaats van naar school en hij niet altijd te motiveren is voor school. Ook de verklaring van appellants huisarts van 18 maart 2013 dat appellant 10 dagen per maand zodanig ziek is dat hij niet kan werken is, nog los van het feit dat deze geen betrekking heeft op de periode hier in geding, niet met concrete objectiveerbare gegevens onderbouwd en strookt evenmin met de door de huisarts eerder verstrekte informatie van 12 januari 2012 waarin is vermeld dat appellant weinig op het spreekuur wordt gezien.

4.4.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) G.J. van Gendt

HD