Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
12-1548 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Appellante heeft, afgezien van de stukken die buiten beschouwing worden gelaten, geen nieuwe medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen zijn voor een ander oordeel. De Raad ziet evenmin als de rechtbank reden voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Ook de Raad ziet daarom geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1548 WIA

Datum uitspraak: 5 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

9 februari 2012, 11/1099 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.T.M. Oudenhoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Oudenhoven. Het Uwv heeft zich, zoals aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster bij een champignonbedrijf. Op 4 september 2008 is zij uitgevallen met rechterschouderklachten. Op 11 februari 2009 heeft zij een schouderoperatie ondergaan. Op 27 mei 2010 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 2 september 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 15 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundige onderzoek in overeenstemming geacht met de daaraan te stellen eisen. Niet gebleken is dat de klachten van appelante zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd. Aan de eigen beleving van appellante kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt van ernstigere beperkingen dan door het Uwv aangenomen. De door appellante overgelegde brief van haar fysiotherapeut is daartoe onvoldoende. Aangezien er geen reden is om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen, is er evenmin aanleiding om een medisch deskundige in te schakelen. De in het dossier aanwezige gegevens kunnen de conclusie dragen dat appellante in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van de geduide functies.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij zeer veel beperkingen heeft aan haar linkerhand en aan haar rechterschouder, -elleboog, -arm en -hand. In haar visie zijn haar beperkingen door het Uwv veel te licht ingeschat. Er is geen rekening gehouden met haar eigen beleving en er is geen, althans onvoldoende, acht geslagen op de informatie van haar fysiotherapeut. Appellante heeft de Raad verzocht een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke deskundige op het terrein van het bewegingsapparaat. Appellante acht zich niet in staat de geduide functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Omdat het Uwv niet heeft kunnen reageren op de nadere medische stukken, die appellante bij faxbericht van 3 december 2013 heeft ingezonden worden deze stukken, zoals ter zitting al meegedeeld, buiten beschouwing gelaten.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormen een herhaling van hetgeen in beroep naar voren is gebracht. Die gronden zijn door de rechtbank besproken en hebben niet kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Appellante heeft, afgezien van de in 4.1 genoemde stukken die buiten beschouwing worden gelaten, geen nieuwe medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. De Raad ziet evenmin als de rechtbank reden voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. Ook de Raad ziet daarom geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

4.3.

Hetgeen in 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en B.M. van Dun en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

HD