Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
13-890 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geen reden om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden. De artsen van het Uwv hebben in de diverse rapporten inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante, ondanks haar klachten, in staat geacht is haar parttime arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/890 ZW

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2013, 12/6303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. de Kluiver, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere (medische) stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere reacties van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was sinds 15 januari 2011, op basis van een half jaar contract, werkzaam als verzorgingshulp/huishoudelijk medewerkster voor 15 uur per week toen zij op 26 april 2011 uitviel ten gevolge van rugklachten. Op 14 juli 2011 is haar dienstverband beëindigd. Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft appellante vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellante heeft op 5 oktober 2011 en 7 mei 2012 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts is, naar aanleiding van zijn bevindingen uit het laatstelijk verrichte onderzoek, tot de conclusie gekomen dat appellante rekening houdende met haar rug- en psychische klachten, met ingang van 9 mei 2012 weer geschikt is te achten voor haar werk als parttime verzorgingshulp/huishoudelijk medewerkster. Bij besluit van

7 mei 2012 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 9 mei 2012 beëindigd.

1.2. Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, heeft het Uwv bij besluit van 25 juni 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 mei 2012 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, het niet inwinnen van informatie bij de behandelend sector niet zonder meer met zich brengt dat het onderzoek als onzorgvuldig moet worden beoordeeld. Volgens de rechtbank is gesteld noch gebleken dat in het onderhavige geval sprake is (geweest) van indicaties op grond waarvan het aangewezen had moeten worden geacht dat door de bezwaarverzekeringsarts de behandelend sector werd geraadpleegd. Nu de heroverweging in bezwaar mede is geschied op basis van recente informatie van de behandelend sector oordeelt de rechtbank dat het medisch onderzoek verricht door de bezwaarverzekeringsarts als voldoende zorgvuldig moet worden aangemerkt. Uit de door de bedrijfsarts en bezwaarverzekeringsarts verrichte onderzoeken zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen ten aanzien van de belastbaarheid van appellante en concludeert dat zij met ingang van 9 mei 2012 in staat moest worden geacht de werkzaamheden, behorend bij de functie van huishoudelijk medewerkster te verrichten.

3.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat vast staat dat het eigen werk rugbelastend was. Zij stelt dat ten onrechte de binnen dit werk voorkomende belasting niet beoordeeld is door een arbeidsdeskundige. Voorts stelt appellante dat onvoldoende gemotiveerd is waarom zij met haar rugklachten in staat wordt geacht haar eigen werk te verrichten. Vanwege haar rug- en psychische klachten acht zij zich niet in staat dit werk te verrichten.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van verzorgingshulp/huishoudelijk medewerkster voor 15 uur per week. Bij de beoordeling van de geschiktheid van appellante voor dit werk, beschikten de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de ‘Vragenlijst ziekte en re-integratie’. Hierin is door appellante een uitgebreide beschrijving gegeven van de belasting in dit werk. Met deze beschrijving hadden beide verzekeringsartsen een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van het laatst verrichte werk van appellante.

4.3.

Er bestaat voorts geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen voor onzorgvuldig te houden. De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur van 5 oktober 2011 en 7 mei 2012 onderzocht. Voorts heeft appellante deze arts, zo blijkt uit de rapporten, op de hoogte gesteld van haar medische voorgeschiedenis ten aanzien van haar rugklachten en hernia-operatie, haar (lopende) behandelingen, behandelaars en medicatie gebruik. Op grond van deze informatie en haar eigen bevindingen - waarbij op zowel psychisch als lichamelijk gebied geen relevante (bewegings) beperkingen voor arbeid zijn vastgesteld - heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante voldoende belastbaar moet worden geacht om haar werk als verzorgingshulp/huishoudelijk medewerkster te hervatten.

4.4.

Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift, heeft de bezwaarverzekeringsarts vervolgens dossierstudie verricht, is hij (actief) aanwezig geweest op de hoorzitting en is de tijdens de hoorzitting verkregen medische informatie in zijn heroverweging betrokken. In het rapport van 11 juni 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts, mede ingaand op alle overgelegde medische gegevens, gemotiveerd te kennen gegeven dat geen aanleiding wordt gezien om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts.

4.5.

De in beroep overgelegde medische informatie was ten tijde van de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts bekend en is ook bij de heroverweging in bezwaar betrokken.

4.6.

Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en aan medische gegevens is overgelegd bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in bezwaar en hoger beroep en het oordeel van de rechtbank niet juist zouden zijn. Daarbij wordt van belang geacht dat de stelling van appellante dat de artsen van het Uwv onvoldoende inzicht hadden in de belasting van het eigen werk, onder verwijzing naar het daartoe overwogene in r.o. 4.2, niet gevolgd wordt. Voorts blijkt uit de rapporten van de artsen van het Uwv dat met zowel de rug als de daaruit voortkomende pijnklachten bij de beoordeling van appellantes belastbaarheid rekening is gehouden. Door de artsen wordt onderkend dat deze klachten aanwezig zijn, maar deze klachten leiden niet tot het aannemen van relevante arbeidsbeperkingen. Dit geldt eveneens voor de psychische klachten, waarvan de aanwezigheid eveneens is onderkend. De artsen van het Uwv hebben echter in de diverse rapporten inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante, ondanks haar klachten, per de datum in geding in staat geacht kan worden haar parttime arbeid te verrichten.

5.

Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 9 mei 2012 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) G.J. van Gendt

HD