Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
12-2214 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage Zvw. Verdragsgerechtigde. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2214 ZVW, 12/2215 ZVW, 12/2216 ZVW

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 maart 2012, 11/4485, 11/4752 en 12/858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](Duitsland) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1932, woont sinds 22 mei 2006 in Duitsland en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), een pensioen van
Stichting Pensioenfonds Legal & General en een inkomen van Nationale Nederlanden Levensverzekeringen Mij. N.V. en Aegon Levensverzekering N.V.

1.2.

Ingevolge de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door het Zorginstituut als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van de Verordening EEG nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in zijn woonland (Duitsland), ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). Appellant heeft zich met een E121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat appellant met ingang van 22 mei 2006 in Duitsland is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten van die zorg ten laste van Nederland komen.

1.3.

Bij besluiten van 22 en 15 juli 2010 en een besluit van 25 september 2011 heeft het Zorginstituut de definitieve jaarafrekeningen over 2006, 2007 en 2008 vastgesteld waarbij de buitenlandbijdragen over die jaren zijn bepaald op achtereenvolgens € 924,52, € 2.117,33 en
€ 2.175,79.

1.4.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 31 augustus 2011 en van 4 januari 2011 (bestreden besluiten) heeft het Zorginstituut de bezwaren van appellant tegen de hiervoor onder 1.3 genoemde besluiten ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant terecht op grond van de Vo. 1408/71 als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat hij op grond van artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage verschuldigd is. Dat appellant in Nederland niet belastingplichtig is en niet verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen doet niet af aan de bijdrageplicht. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de door de pensioeninstanties aan de Belastingdienst afgedragen inhoudingen onverlet laten dat appellant de buitenlandbijdrage aan het Zorginstituut moet voldoen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het staande praktijk is dat de Belastingdienst ten onrechte ingehouden bijdragen retourneert. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering (Regeling) waarin het moment van vaststelling van de jaarafrekening is geregeld geen verjarings- of vervaltermijn bevat en dat met het achterwege laten van renteheffing over de door appellant verschuldigde buitenlandbijdragen voldoende compensatie is geboden voor de late vaststelling van de definitieve jaarafrekeningen.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat door de Belastingdienst het vertrouwen is gewekt dat hij geen buitenlandbijdragen verschuldigd zou zijn. Verder heeft appellant aangevoerd dat de buitenlandbijdragen te laat zijn vastgesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Daaraan voegt de Raad het volgende toe. Het betoog van appellant dat de Belastingdienst het vertrouwen heeft gewekt dat appellant geen buitenlandbijdrage op grond van artikel 69 van de Zvw verschuldigd zou zijn, slaagt niet. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen, indien een tot beslissen bevoegd orgaan aan appellant uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij hem gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Een dergelijke toezegging heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Aan de mededelingen van de Belastingdienst zoals deze zijn verwoord in de brieven van 23 maart 2007, 20 april 2009 en 12 januari 2010, kan appellant niet het vertrouwen ontlenen dat hij niet bijdrageplichtig zou zijn. In de eerstgenoemde brief is slechts te kennen gegeven dat appellant niet verplicht is verzekerd voor de premies volksverzekeringen. In de brieven van 12 januari 2010 is daarnaast verwoord dat appellant niet verzekerd en niet premieplichtig is voor de Zvw maar dat het wel mogelijk is dat het Zorginstituut aan de inhoudingsplichtige opdracht geeft premies op grond van artikel 69 van de Zvw in te houden. Bovendien is de Belastingdienst niet aan te merken als een voor het vaststellen van de buitenlandbijdrage bevoegd orgaan.

4.2.

De NiNbi-beschikkingen van 2006, 2007 en 2008 dateren van achtereenvolgens
26 februari 2009, 8 juni 2009 en 20 juni 2011. De buitenlandbijdragen over de jaren 2006, 2007 en 2008 zijn bij besluiten van achtereenvolgens 22 juli 2010, 15 juli 2010 en
25 september 2011 definitief vastgesteld. De definitieve jaarafrekening over 2008 is binnen de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde beslistermijn, van zes maanden na het tijdstip waarop de NiNbi-beschikking onherroepelijk is geworden, definitief vastgesteld. De definitieve jaarafrekeningen over 2006 en 2007 zijn ruim na afloop van die beslistermijn vastgesteld.

4.3.

De Raad overweegt onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4745) dat de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling opgenomen beslistermijn voor de vaststelling van de definitieve jaarafrekening van zes maanden na het onherroepelijk vaststellen van de NiNbi-beschikking door de Belastingdienst, geen vervaltermijn of een fatale termijn is.

4.4.

Hetgeen in 4.3 is overwogen, laat onverlet dat bij de definitieve vaststelling van een jaarafrekening na het verstrijken van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling bedoelde termijn, rekening moet worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van dit beginsel is in dit geval geen sprake, omdat appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er over 2006 en 2007 nog een definitieve vaststelling van de jaarafrekening zou plaatsvinden en de termijnoverschrijdingen niet van zodanige lange duur zijn dat hij hiermee redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden. Appellant is bij brief van 16 april 2007 door het Zorginstituut geïnformeerd dat over 2006 nog een jaarafrekening zal worden vastgesteld. Verder vloeit uit artikel 6.3.3 van de Regeling immers voort dat na een eventuele
inhouding - in een geval als dat van appellant over 2007 - nog een voorlopige en een definitieve afrekening door het Zorginstituut zullen worden vastgesteld. Appellant heeft dus redelijkerwijs rekening kunnen houden met (nog) te betalen buitenlandbijdragen over 2006 en 2007.

4.5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.C. Hoogendoorn

QH