Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
13-1643 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanspraak op toelating tot de maatschappelijke opvang. Er was voor het college geen reden om appellant op grond van artikel 8 van het EVRM maatschappelijke opvang te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1643 WMO

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013, 12/10410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Fischer. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, met Burundese nationaliteit, heeft op 9 februari 2012 het college verzocht hem op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of op grond van buitenwettelijk beleid in aanmerking te brengen voor hulp om broodnood en dakloosheid te voorkomen. Bij besluit van 20 april 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 27 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor het college geen reden was om appellant op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking te brengen voor de door hem gewenste verstrekkingen. Volgens de rechtbank bieden de door appellant overgelegde stukken en wat is aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat de fysieke en psychische gezondheid van appellant bij gebreke van maatschappelijke opvang of andere voorziening substantieel worden bedreigd.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant is het college contrair aan de afwijzende beslissing hem met ingang van 1 juni 2012 een bedrag van € 420,- gaan toekennen. De daarvoor gekozen constructie is volgens appellant hetzelfde als die in de uitspraken van de Raad van 2 en 16 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5501 en ECLI:NL:CRVB:2012:BW7019. Appellant meent dat het college in overeenstemming met wat wordt verstrekt had moeten beslissen.

3.2.

In verweer heeft het college een brief van de Stichting Uitgeprocedeerde Vluchtelingen (STUV) van 13 mei 2013 overgelegd, waarin staat dat STUV appellant met ingang van
24 mei 2012, in eerste instantie voor drie maanden, ondersteuning is gaan bieden en dat de voorwaarden voor die ondersteuning schriftelijk zijn vastgelegd en door appellant zijn ondertekend. Verder heeft het college gewezen op de “Samenwerkingsovereenkomst 2010 tot en met 2013 Gemeente Leiden en Stichting Uitgeprocedeerde vluchtelingen en andere Vreemdelingen in het kader van gemeentelijke subsidieverstrekking” (Samenwerkingsovereenkomst) waaruit volgens het college blijkt dat de situatie in Leiden niet vergelijkbaar is met de situatie in de door appellant genoemde uitspraken. Ook de situatie in Almere zoals opgenomen in de uitspraak van de Raad van 9 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4386, is volgens het college niet vergelijkbaar. In Leiden bepaalt STUV zelfstandig welke vreemdelingen worden geholpen. De gemeente heeft hierin geen rol. Brieven en handelingen van STUV kunnen niet als besluiten van het college worden aangemerkt, aldus het college.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 9 februari 2012 (datum aanvraag) tot en met 27 september 2012 (datum beslissing op bezwaar). Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.3 van zijn uitspraak van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, stelt de Raad voorts vast dat op de beoordeling van de aanspraken van appellant nog het recht van toepassing is, zoals dat voor de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, gold, aangezien het gaat om een aanvraag van voor 24 februari 2014. Dit betekent dat de nieuwe bevoegdheidsverdeling in de periode in geding nog niet van toepassing was.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant op grond van het bepaalde in de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de gemeente Leiden. Appellant is niettemin van mening dat hij op grond van artikel 8 van het EVRM voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo in aanmerking dient te komen.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er voor het college geen reden was om appellant op grond van artikel 8 van het EVRM maatschappelijke opvang te bieden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en verenigt zich met het op grond daarvan gegeven oordeel.

4.4.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat hij van het college tegenstrijdige besluiten heeft ontvangen. Met het college is de Raad van oordeel dat op basis van de bij 3.2 genoemde Samenwerkingsovereenkomst niet de conclusie kan worden getrokken dat brieven en handelingen van STUV als besluiten van het college zijn aan te merken. STUV bepaalt zelfstandig, zonder inmenging door de gemeente, of zij aan een bepaalde vreemdeling materiële, sociale of juridische hulp verlenen. Ook uit de aan het college overgelegde brief van STUV van 13 mei 2013, waarin STUV op verzoek van het college de werkwijze heeft toegelicht, kan de door appellant gewenste conclusie niet worden getrokken. De beroepsgrond faalt.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. Gelet hierop is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.R. van Ravenstein

IJ