Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
12-4465 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De stelling van appellant dat hij vanwege het door hem aanvaarde verzekeringsaanbod van het Uwv - in afwijking van het van toepassing zijnde wettelijke kader - recht heeft op de uitbetaling van de volledige WAO-uitkering, naast de WAZ-uitkering, wordt niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4465 WAO

Datum uitspraak: 26 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

5 juli 2012, 11/1368 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J. ter Welle hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2014. Voor appellant is

Ter Welle verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 1991 recht op uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en - op grond van een vrijwillige verzekering - de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De AAW-uitkering is met ingang van

1 januari 1998 voortgezet als een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ).

1.2. Bij brief van 19 januari 2011 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat vanaf

1 januari 2011 de aan appellant toegekende WAO-uitkering slechts wordt uitbetaald voor zover deze de WAZ-uitkering overtreft.

1.3. In bezwaar heeft appellant gesteld recht te hebben op zowel de volledige WAO-uitkering als de volledige WAZ-uitkering. Bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de situatie van appellant valt onder het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel VII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Inga). Op grond hiervan blijft artikel 84a van de WAO, waarin de anticumulatie is geregeld, van toepassing op de persoon die op 31 december 1997 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW. Ingevolge

artikel 84a, tweede lid, van de WAO wordt de WAO-uitkering slechts uitbetaald voor zover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW - vanaf

1 januari 1998 de WAZ - overtreft.

3.

In hoger beroep heeft appellant de gronden van beroep tegen het bestreden besluit in essentie herhaald.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat appellant blijkens het verhandelde ter zitting de juistheid van het in de aangevallen uitspraak vermelde wettelijke kader niet bestrijdt. Evenmin wordt bestreden dat toepassing van dat wettelijke kader leidt tot de conclusie dat op grond van het overgangsrecht de WAO-uitkering slechts wordt uitbetaald voor zover deze de

WAZ-uitkering overtreft. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat strikte toepassing van artikel 84a van de WAO in zijn geval niet aan de orde is, vanwege een aanbod van het Uwv per 1 januari 1998 voor een vrijwillige WAO-verzekering naast de WAZ-uitkering, welk aanbod appellant door het betalen van premie (stilzwijgend) heeft aanvaard.

4.2.

De stelling van appellant dat hij vanwege het door hem aanvaarde verzekeringsaanbod van het Uwv - in afwijking van het van toepassing zijnde wettelijke kader - recht heeft op de uitbetaling van de volledige WAO-uitkering, naast de WAZ-uitkering, wordt niet gevolgd.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E.W. Akkerman en

R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2014.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) E. Heemsbergen

HD