Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
13-1601 AW-G
Formele relaties
Rectificatiebesluit: ECLI:NL:CRVB:2014:3193
Gerectificeerde uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2014:1782
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2014:3193 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2014:1782.

Functiebeschrijving. Functieonderhoud. Aanpassing functie-informatieformulier (fif). De taakaanduiding “coördineren van deelopsporingsonderzoeken” brengt de feitelijk opgedragen werkzaamheden onvoldoende tot uitdrukking. Door betrokkenen is onweersproken gesteld, dat alle betrokkenen beurtelings de tactische coördinatie van een onderzoek opgedragen kunnen krijgen, zodat er in de fif van alle betrokkenen sprake is van een wezenlijke afwijking van de feitelijk opgedragen werkzaamheden. Voor zover bij de overige taken al sprake is van een afwijking tussen de werkelijke verantwoordelijkheid en regie en de beschrijving van die verantwoordelijkheid en toelichting in de fif, betreft het geen wezenlijke afwijking. De Raad laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand met dien verstande dat in het bij de bestreden besluiten behorende fif de coördinerende taak als volgt wordt omschreven: “Het coordineren van complexe en grootschalige (deel)opsporingsonderzoeken op

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1601 AW-G e.v. (zie bijlage)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2013, 12/2646, 12/2650, 12/2653, 12/2693, 12/2654, 12/2647, 12/2648 (aangevallen uitspraak 1) en 12/2694 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene]te [woonplaats 1] en zeven anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (betrokkenen)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef of appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Namens betrokkenen 1 tot en met 7 heeft mr. N.D. Dane, advocaat, een verweerschrift ingediend. Namens betrokkene 8 heeft mr. J.J. Slump, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluiten van 15 april 2013 (ten aanzien van betrokkenen 1 tot en met 7) en 26 april 2013 (ten aanzien van betrokkene 8) nieuwe beslissingen op bezwaar genomen. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht betrekt de Raad die besluiten in deze gedingen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.J. van der Vlist en L.M. van den Hil. Betrokkenen 1, 2, 3, 5, 6 en 7 zijn ter zitting verschenen met bijstand van mr. Dane. Betrokkene 4 is niet verschenen; hij heeft zich door mr. Dane laten vertegenwoordigen. Betrokkene 8 is verschenen, bijgestaan door mr. Slump.

OVERWEGINGEN

1.1. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Er is een stelsel van ongeveer 100 organieke functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per organieke functie. Op basis van matching wordt een vertaalslag gemaakt van de oude naar de nieuwe functies, inclusief de bijbehorende waardering. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Invoering van het LNFP geschiedt in twee stappen. De eerste stap is de vaststelling van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011. In dit verband worden de uitgangspositie(s) omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de functiebeschrijving(en) en/of de schriftelijk opgedragen werkzaamheden en/of bijzondere situaties (zoals outplacement) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009, zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten. Met het oog op het bepalen van de uitgangspositie(s) wordt aan alle ambtenaren een voorgenomen besluit uitgangspositie(s) gezonden. Daarin wordt onder meer gewezen op de mogelijkheid om eenmalig functieonderhoud aan te vragen op de wijze zoals omschreven in artikel 3 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp). Toegekend functieonderhoud is van invloed op de uitgangspositie. De tweede stap is de feitelijke matching van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar met een functie uit het LFNP.

1.2. Betrokkenen zijn werkzaam bij de Regionale Recherche Dienst (RRD) in de Eenheid Georganiseerde Criminaliteit (EGC). Op 21 april 2011 heeft appellant betrokkenen bericht dat hun voorgenomen uitgangspositie Hoofdmedewerker bij de RRD is en heeft appellant in het functie-informatieformulier (fif) een beschrijving van die functie gegeven. Betrokkenen hebben hiertegen bedenkingen geuit en/of een aanvraag tot functieonderhoud ingediend.

1.3. Bij besluiten van 7, 9 en 14 november 2011 heeft appellant de uitgangspositie van betrokkenen ongewijzigd vastgesteld en de aanvragen tot functieonderhoud afgewezen. Betrokkenen hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

1.4. Bij beslissingen op bezwaar van 11 mei 2012 (bestreden besluiten) heeft appellant de bezwaren van betrokkenen gedeeltelijk gegrond verklaard en het fif aangepast door naast het coördineren van deelopsporingsonderzoeken het uitvoeren van opsporingsonderzoeken apart te benoemen en door in het fif op te nemen dat betrokkenen taken verrichten die sterk lijken op de taken zoals genoemd in de brief van het Managementteam EGC van 30 november 2011, zij het met een andere verantwoordelijkheid/bevoegdheid en onder directe regie van hun chef.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraken. Daartoe heeft zij, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het betoog van betrokkenen dat zij niet alleen deelopsporingsonderzoeken coördineren, maar ook gehele opsporingsonderzoeken, doel treft. Als appellant bij het coördineren van deelopsporingsonderzoeken het woord ‘deel’ in het begrip deelopsporingsonderzoeken tussen haakjes had geplaatst, zou de beschrijving wel volledig zijn geweest. De bij de bestreden besluiten aangepaste beschrijving kan derhalve niet in stand worden gelaten en de besluiten dienen dan ook te worden vernietigd. Wat betreft de in de brief van 30 november 2011 opgesomde taken (hierna: overige taken) heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschrijving van de verantwoordelijkheid en regie niet eenduidig is en geen recht doet aan de praktijk zoals deze door betrokkenen is geschetst. Appellant zal nader moeten onderzoeken hoe de verantwoordelijkheid en regie bij bedoelde taken in werkelijkheid is verdeeld en de beschrijving in het fif dienovereenkomstig moeten aanpassen. Appellant zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van de uitspraken.

3.

Bij de nieuwe beslissingen op bezwaar van 15 en 26 april 2013 heeft appellant, voor zover hier van belang, de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het fif aangepast. Daarbij is gepreciseerd op welke wijze de coördinatie van (deel)onderzoeken moet worden verstaan en hoe de verantwoordelijkheid en regie ten aanzien van de overige taken zijn verdeeld. In reactie op deze nieuwe beslissingen op bezwaar hebben betrokkenen aangevoerd dat in het fif andermaal is verzuimd te verwoorden dat zij (onder andere) zijn belast met het coördineren van (deel)onderzoeken.

4.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat afdoende is gemotiveerd dat sprake is van enkel het coördineren van deelopsporingsonderzoeken. Voorts is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, voldoende duidelijk hoe de verantwoordelijkheid en regie ten aanzien van de overige taken zijn verdeeld.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de taakaanduiding “coördineren van deelopsporingsonderzoeken” de feitelijk opgedragen werkzaamheden onvoldoende tot uitdrukking brengt. Zoals blijkt uit de brief van het plaatsvervangend hoofd van de EGC van 26 maart 2013, die appellant inhoudelijk heeft overgenomen in de nieuwe beslissingen op bezwaar, is een gebruikelijke taakverdeling tussen de hoofdmedewerkers in een project als deze, dat één hoofdmedewerker als tactisch coördinator optreedt en dat deze het hele onderzoek coördineert en acties uitzet, terwijl een tweede hoofdmedewerker zorgt voor de samenstelling van het procesdossier, en een derde optreedt als coördinator bijzondere opsporingsbevoegdheden. Aan deze gang van zaken, in het bijzonder aan de rol van tactisch coördinator, wordt onvoldoende recht gedaan door slechts een coördinerende taak bij deelonderzoeken te erkennen, indien sprake is van samenwerking tussen verschillende hoofdmedewerkers bij de uitvoering van het onderzoek. In werkelijkheid immers betreft de tactische coördinatie veelal een geheel onderzoek. Nu door betrokkenen onweersproken is gesteld, dat alle betrokkenen beurtelings de tactische coördinatie van een onderzoek opgedragen kunnen krijgen, is er in de fif van alle betrokkenen sprake van een wezenlijke afwijking van de feitelijk opgedragen werkzaamheden. De hoger beroepen treffen in zoverre geen doel.

5.2.

Met appellant, en anders dan de rechtbank, wordt geoordeeld dat, voor zover bij de overige taken al sprake is van een afwijking tussen de werkelijke verantwoordelijkheid en regie en de beschrijving van die verantwoordelijkheid en toelichting in de fif, het hier geen wezenlijke afwijking betreft. Aan betrokkenen kan worden toegegeven dat de verwoording hiervan door appellant voor verbetering vatbaar is. Voor zover daardoor sprake is van een afwijking, is deze naar het oordeel van de Raad van ondergeschikte aard. De kern van de zaak is dat het bij de overige taken gaat om taken die primair aan andere functies zijn toegewezen en dus niet tot het gebruikelijke takenpakket van de hoofdmedewerker behoren, maar om taken die aan de hoofdmedewerker op meer of minder informele basis kunnen worden overgelaten of gemandateerd. Het ter toelichting gegeven voorbeeld van het verzorgen van de dagelijkse briefing of het voorzitten van een werkoverleg door de hoofdmedewerker, waarbij veelal ook de leidinggevende aanwezig is, laat zien dat bij dergelijke taken sprake is van een meer afgeleide verantwoordelijkheid van de medewerkers gepaard aan de mogelijkheid van een strakkere regie door de leidinggevende. Dat in de praktijk aan de hoofdmedewerkers ook bij de uitoefening van deze overige taken een grote mate van eigen verantwoordelijkheid wordt gelaten, doet hieraan niet af. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de beschrijving in het fif van de verantwoordelijkheid en regie bij de overige taken door appellant nader onderzoek en aanpassing behoeft. De hoger beroepen treffen in zoverre doel.

5.3.

Op grond van wat onder 5.1 en 5.2 is overwogen dienen de aangevallen uitspraken te worden vernietigd voor zover daarbij aan appellant is opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraken. De Raad ziet met het oog op de definitieve beslechting van het geschil aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten met dien verstande dat in het bij de bestreden besluiten behorende fif de coördinerende taak als volgt wordt omschreven: “Het coordineren van complexe en grootschalige (deel)opsporingsonderzoeken op (boven)regionaal en (inter)nationaal niveau.”

5.4.

Nu de aangevallen uitspraken worden vernietigd voor zover daarbij aan appellant is opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraken, is aan de nadere besluiten van 15 en 26 april 2013 de grondslag komen te ontvallen, zodat deze besluiten eveneens voor vernietiging in aanmerking komen.

6.

Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover appellant is opgedragen nieuwe besluiten te

nemen met inachtneming van de uitspraak;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de besluiten van 11 mei 2012 in stand blijven, met dien

verstande dat voor de coördinerende taak de beschrijving geldt die in rechtsoverweging 5.3

van deze uitspraak is verwoord en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt

van het door de rechtbank vernietigde besluit;

- vernietigt de besluiten van 15 en 26 april 2013.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD

+B

BIJLAGE

Lijst van betrokkenen:

Procedurenummers Betrokkenen Woonplaats

1. 13/1602

AW, 13/2242 AW[betrokkene] [woonplaats 1]

2. 13/1603

AW, 13/2245 AW [betrokkene 2] [woonplaats 2]

3. 13/1604

AW, 13/2248 AW[betrokkene 3] [woonplaats 3]

4. 13/1605

AW, 13/2249 AW [betrokkene 4] [woonplaats 4]

5. 13/1606

AW, 13/2250 AW [betrokkene 5] [woonplaats 5]

6. 13/1607

AW, 13/2251 AW [betrokkene 6] [woonplaats 6]

7. 13/1608

AW, 13/2252 AW [betrokkene 7] [woonplaats 7]

8. 13/1601

AW, 13/2489 AW[betrokkene 8][woonplaats 8]

(afzonderlijke usp Rb)