Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
13-2231 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet aannemelijk gemaakt dat appellante haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft prijsgegeven. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting niet geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2231 WWB, 13/2232 WWB

Datum uitspraak: 30 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 maart 2013, 12/1298, 13/83 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Voor appellante is

mr. Van Dalen verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt, met een onderbreking, sinds 8 februari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding op 8 maart 2012 dat appellante haar woning aan de [adres] te [plaatsnaam] onderverhuurt, is de dienst Sociale Zaken en Werk (SOZAWE) van de gemeente Groningen op grond van artikel 53a, tweede lid, van de WWB een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van appellante. Daartoe heeft de dienst SOZAWE op 14 maart 2012 appellante schriftelijk opgeroepen op gesprek te komen op woensdag 21 maart 2012. Appellante heeft niet op die oproep gereageerd.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 november 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college het recht op bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van 21 maart 2012 opgeschort op de grond dat zij geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar haar uitkeringssituatie. Appellante is voorts in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Daartoe is appellante voor een tweede keer opgeroepen om op gesprek te komen. Appellante heeft ook aan die oproep geen gehoor gegeven. Bij besluit van 27 april 2012 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellante ingetrokken per 21 maart 2012. Appellante heeft tegen dit intrekkingsbesluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

In het kader van het ingestelde onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante en naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand van appellante van 23 april 2012 zijn in maart 2012 twee waarnemingen verricht bij de woning van appellante, is op 5 juni 2012 een huisbezoek verricht en hebben op 5 en 13 juni 2012 gesprekken met appellante plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 augustus 2012. Bij besluit van 11 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 december 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 januari 2012 tot en met 20 maart 2012 en de gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 2.972,79. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante het college niet had gemeld dat zij in deze periode niet verbleef op het door haar opgegeven adres en haar woning aan derden ter beschikking had gesteld. Als gevolg daarvan is volgens het college de woonsituatie van appellante gedurende deze periode niet meer te controleren en daarmee is het recht op bijstand in deze periode niet vast te stellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Opschorting

4.1.

Ter zitting is het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het opschortingsbesluit, zoals gehandhaafd in het bestreden besluit 1, niet gehandhaafd. De hierop betrekking hebbende gronden behoeven daarom geen bespreking.

Intrekking en terugvordering

4.2.

In geschil is de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2012 tot en met 20 maart 2012.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

De beroepsgrond van appellante dat het college niet aan deze bewijslast heeft voldaan, slaagt. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd de verklaring die appellante tijdens een onaangekondigd huisbezoek heeft afgelegd. Van dat gesprek is niet meer dan een korte ambtelijke weergave in het dossier opgenomen. Daaruit blijkt niet over welke periode appellante verklaart. In het verslag is weliswaar één zin opgenomen dat appellante vanaf januari 2012 afwisselend bij haar moeder en tante heeft verbleven, maar uit het verslag blijkt niet of is doorgevraagd naar de duur van haar verblijf bij haar moeder, dan wel haar tante, en of en, zo ja, hoe vaak zij daarnaast nog thuis kwam. Het lag op de weg van het college duidelijkheid te verkrijgen over haar feitelijk verblijf in de te beoordelen periode. De overige onderzoeksbevindingen bieden die duidelijkheid evenmin. Uit de twee verrichte waarnemingen, op 29 en 31 maart 2012, blijkt niet meer dan dat appellante op dat moment niet op het uitkeringsadres aanwezig was. De verklaring van een buurvrouw, dat appellante al enige tijd niet in de woning is geweest, is ook slechts als ambtelijke weergave in het rapport opgenomen en bevat evenmin concrete aanknopingspunten ten aanzien van de periode waarin dan wel de duur van het verblijf van appellante anders dan op het uitkeringsadres. De onderzoeksbevindingen laten daarmee ruimte voor de verklaring van appellante dat zij in verband met de opvoeding van haar zoontje vaak bij haar moeder en tante is geweest en dat ergens in de periode tussen januari en maart 2012 sprake is geweest van een uit de hand gelopen logeerpartij op haar adres. Het college heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft prijsgegeven.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het college was dan ook niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante in te trekken en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van bijstand van haar terug te vorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Voorts bestaat aanleiding om het besluit van 11 september 2012 te herroepen. Dit besluit berust immers op dezelfde onjuist gebleken grondslag en het is niet aannemelijk dat dit gebrek kan worden hersteld.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 974,- voor de behandeling van het bezwaar en op € 974,- aan proceskosten in beroep en op € 974,- voor proceskosten in hoger beroep, in totaal dus € 2.922,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 december 2012 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 11 september 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en P.W. van Straalen en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD