Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
13-3479 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering algemene en bijzondere bijstand. Gezamenlijke huishouding? Hoofdverblijf in dezelfde woning. Onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3479 WWB

Datum uitspraak: 30 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 mei 2013, 13/392 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec. Tevens is verschenen J.P.M. Olsthoorn als tolk. Het college heeft zich, met schriftelijk bericht, niet laten vertegenwoordigen. Als getuige is gehoord P.S. [S.] ([S.]), de vriend van appellante, wonende te [woonplaats].

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 juli 2009 bijstand naar de norm van een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante staat sinds 30 juni 2009 ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. [S.] stond ten tijde in geding ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam], waar hij een kamer huurde.

1.2.

Naar aanleiding van een op 5 januari 2012 ontvangen anonieme tip dat appellante met [S.] zou samenwonen vanaf het moment dat zij het huis aan de [adres 1] betrok, heeft de sociale recherche van de Dienst Samenleving Apeldoorn een onderzoek ingesteld. Daarbij is dossieronderzoek verricht, zijn de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en Suwinet geraadpleegd, zijn verbruiksgegevens van energie en water en gegevens bij de belastingdienst opgevraagd, zijn waarnemingen gedaan en diverse getuigen gehoord. Op 30 en 31 mei 2012 zijn huisbezoeken afgelegd in de woning van appellante. Appellante en [S.] zijn op 13 en 14 september 2012 verhoord. De bevindingen zijn neergelegd in rapporten van 22 augustus 2012 en 27 september 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten hebben voor het college aanleiding gevormd om bij besluit van 5 oktober 2012 de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2009 in te trekken en met ingang van 5 oktober 2012 te beëindigen. Voorts heeft het college bij dit besluit de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 augustus 2012, alsmede de aan appellante in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 augustus 2012 verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd. De totale terugvordering bedraagt € 43.588,60. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de WWB het college niet heeft geïnformeerd over haar gezamenlijke huishouding met [S.] op haar adres.

1.4.

Bij besluit van 17 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de bijstandsgerechtigde belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

4.2.

In geding is de vraag of er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode van 1 juli 2009 tot en met 5 oktober 2012 (datum intrekkingsbesluit) een (verzwegen) gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [S.].

4.3.

Artikel 3, derde lid, van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In de hier te beoordelen periode stond [S.] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op een ander adres dan appellante. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5.

De onderzoeksbevindingen bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat [S.] in de hier te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Terecht heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de door [S.] afgelegde tweede verklaring op 14 september 2012, erop neerkomend dat hij vanaf het moment dat appellante haar woning aan de [adres 1] betrok aldaar met haar heeft samengewoond. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat [S.] die verklaring onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd, treft geen doel. Dat sprake zou zijn van ontoelaatbare druk is ook in hoger beroep niet gebleken. De verklaring van [S.] vindt voorts, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, steun in de verklaringen van de buurtbewoners van het adres aan de [adres 1] en in het bijzonder in de verklaringen van de huisgenoten van [S.] aan de [adres 2], in de waarnemingen alsmede in de verbruiksgegevens van water en energie op het adres van appellante. Aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is daarom voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat [S.] wel voor haar heeft gezorgd maar dat zij niet of nauwelijks voor [S.] heeft gezorgd, zodat er geen sprake is van wederzijdse zorg. Deze beroepsgrond treft doel. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van het college dat gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg. Dit standpunt is, voor zover het gaat om aspecten van zorg van appellante voor [S.], gebaseerd op de verklaring van appellante dat zij wel eens een kledingstuk van [S.] wast. Voorts zou van financiële verstrengeling sprake zijn doordat [S.] een rekening van appellante zou hebben gebruikt. Uit de verklaringen van appellante en [S.] ter zitting valt echter op te maken dat [S.] een eigen rekening op naam had voordat appellante aan de [adres 1] ging wonen. Van financiële verstrengeling in de te beoordelen periode is derhalve geen sprake. Voorts is de omstandigheid dat appellante wel eens een kledingstuk van [S.] (mee)waste niet van zodanig gewicht dat moet worden aangenomen dat zij zorg verleende aan [S.] in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Derhalve is er onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat in de periode in geding is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg

4.8.

Uit 4.7 volgt dat van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [S.] in de te beoordelen periode geen sprake was. Het bestreden besluit is niet voldoende zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

4.9.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijdt met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Er bestaat tevens aanleiding het besluit van

5 oktober 2012 te herroepen, nu dat besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5.

Het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958). Voor zover de terugvordering reeds is geëffectueerd en tot terugbetaling is overgegaan dient het college ook daarover de wettelijke rente te vergoeden.

6.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 januari 2013;

- herroept het besluit van 5 oktober 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag

van € 2.435,- in totaal;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe zoals onder 5 is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en P.W. van Straalen en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD