Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
14-4447 WWB-VV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:6639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Kortsluiting. Aanvullende bron van inkomsten door de verkoop van zelfgebakken taarten. Appellante heeft over de aard en omvang van deze middelen geen duidelijkheid verschaft als gevolg waarvan het recht op (aanvullende) bijstand niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/4447 WWB-VV, 14/4441 WWB

Datum uitspraak: 25 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. F.S. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2014, 13/7803 (aangevallen uitspraak).

Tevens is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2014. Verzoekster is - met bericht - niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.W. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster ontving vanaf 18 juni 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat sinds 19 mei 2011 met haar twee kinderen ingeschreven op het adres [adres]. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante taarten bakt en verkoopt, welke activiteiten niet bij het college bekend waren, heeft de afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster verleende bijstand. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn diverse registers geraadpleegd en is verzoekster gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een Rapportage melding van 25 juni 2013 en een Rapportage bestuursrechtelijk onderzoek van 13 september 2013.

1.2.

De onderzoeksresultaten hebben het college aanleiding gegeven om bij besluit van

25 september 2013 de bijstand van verzoekster in te trekken met ingang van

1 september 2013. Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft het college de bijstand van verzoekster ingetrokken over de periode van 18 juni 2012 tot en met 31 augustus 2013 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.714,97 van verzoekster teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 28 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 25 september 2013 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Verzoekster heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter onderbouwing van het door verzoekster gestelde spoedeisend belang heeft zij aangevoerd dat haar bijstand op 1 september 2013 is ingetrokken, dat zij thans geen inkomen geniet en dat sprake is van een toenemende schuldenlast.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 18 juni 2012 tot en met 25 september 2013 (te beoordelen periode).

4.5.

Het college heeft naar aanleiding van de door verzoekster op 10 september 2013 overgelegde bankafschriften van haar betaalrekening vastgesteld dat de maandelijkse vaste lasten van verzoekster (€ 1.544,26) haar vaste inkomsten per maand (€ 1.486,25) overstijgen. Desondanks vertoonde haar betaalrekening op 20 augustus 2013 een positief saldo van

€ 1.131,24. Het college heeft in het verschil tussen de inkomsten en uitgaven van verzoekster het vermoeden opgevat dat verzoekster de beschikking heeft over (aanvullende) middelen, waarvan zij het college niet op de hoogte heeft gesteld. Geconfronteerd met dit vermoeden heeft verzoekster op 10 september 2013 verklaard dat zij geen inkomsten uit werkzaamheden heeft. Voorts heeft zij verklaard dat zij giften van haar moeder heeft ontvangen en dat zij een auto heeft verkocht, die zij in september 2012 van haar ouders heeft gekregen.

4.6.

Verzoekster heeft de berekening, zoals neergelegd in de onder 1.1 genoemde Rapportage bestuursrechtelijk onderzoek, met betrekking tot haar vaste lasten en inkomsten niet betwist. Uit deze berekening kan niet anders dan de conclusie worden getrokken dat verzoekster over een (aanvullende) bron van inkomsten heeft moeten beschikken. Voorts is bij deze berekening geen rekening gehouden met onder meer de kosten van levensonderhoud voor verzoekster en haar kinderen, op grond waarvan moet worden aangenomen dat de lasten per maand nog beduidend hoger waren dan het in de berekening genoemde bedrag van € 1.544,26. Verzoekster heeft hiertegenover niet meer gesteld dan dat zij in 2012 een gift van haar moeder van € 840,- heeft ontvangen plus een gift van € 200,- voor haar kinderen, dat zij een belastingteruggave van € 1.100,- heeft ontvangen en dat zij de door haar ouders geschonken auto heeft verkocht voor een bedrag rond € 1.500,-. Aan de door verzoekster gestelde belastingteruggave en verkoop van de auto wordt voorbij gegaan, alleen al nu verzoekster de gestelde inkomsten hieruit niet met concrete en verifieerbare stukken heeft onderbouwd. De verklaring van de moeder van verzoekster over de door haar verstrekte gift aan haar dochter en kleinkinderen is evenmin onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Bovendien verklaart deze gift niet het hiervoor vastgestelde substantiële verschil tussen de inkomsten en uitgaven van verzoekster.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het college terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat verzoekster in de te beoordelen periode over een (aanvullende) bron van inkomsten heeft beschikt waarvan zij bij het college geen melding heeft gemaakt. Zij heeft over de aard en omvang van deze middelen geen duidelijkheid verschaft als gevolg waarvan over deze periode het recht op (aanvullende) bijstand niet is vast te stellen.

4.8.

Gelet op het voorgaande was het college ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden de bijstand van verzoekster vanaf 18 juni 2012 in te trekken en ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WWB de over de periode van 18 juni 2012 tot en met 31 augustus 2013 betaalde kosten van bijstand van haar terug te vorderen. In de door verzoekster gestelde omstandigheid dat zij een alleenstaande ouder is die van haar uitkering afhankelijk is, ligt geen dringende reden in de zin van artikel 58, achtste lid, van de WWB besloten op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering.

4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) C. Moustaine

HD