Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
13-4802 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Aanvraag bijstand terecht buiten behandeling gesteld. Geen bewijzen van betaling overgelegd met betrekking tot de accommodatie en de kosten van levensonderhoud in Thailand. Niet duidelijk geworden waarom appellant geen gegevens heeft kunnen overleggen over zijn verblijf in Thailand. 2) Aanvraag bijstand terecht buiten behandeling gesteld. Gevraagde bankafschriften niet overgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Participatiewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/997

Uitspraak

13/4802 WWB, 13/4803 WWB

Datum uitspraak: 30 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

9 augustus 2013, 12/1583 en 12/2271 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, gemeentelijk collectief voor werk, inkomen en zorg (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/4781 WWB en 13/4962 WWB, plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Namens appellant is verschenen mr. Brauer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, met een enkele onderbreking, vanaf 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van

26 februari 2012 ingetrokken op de grond dat op die dag de maximale periode van vier weken, waarin appellant met behoud van bijstand buiten Nederland kon verblijven, was verstreken. Bij uitspraak van heden, 13/4962 WWB, heeft de Raad die intrekking van de bijstand van appellant in stand gelaten. Bij besluit van 4 juli 2012 heeft het dagelijks bestuur, beslissend op bezwaar, de aanvraag van appellant om bijstand per 2 april 2012 afgewezen op de grond dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij in gebreke is gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen hoe hij in de reiskosten naar Thailand, de kosten van de accommodatie aldaar en zijn kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bij uitspraak van heden, 13/4781 WWB, heeft de Raad de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten.

1.2.

Appellant heeft zich op 31 mei 2012 gemeld om bijstand aan te vragen ingevolge de WWB. In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft het dagelijks bestuur, naar aanleiding van de door appellant gemelde reis naar Thailand, bij brief van 5 juli 2012 appellant verzocht om voor 12 juli 2012 een aantal nader aangeduide stukken in te leveren, te weten - voor zover hier van belang - bewijzen van betaling met betrekking tot een vliegticket naar Thailand, de kosten van de accommodatie aldaar en de kosten van levensonderhoud in Thailand. Daarbij heeft het dagelijks bestuur appellant erop gewezen dat het niet verstrekken van de gegevens tot buiten behandelingstelling van de aanvraag kan leiden. In een rapportage van 12 juli 2012 heeft de bijstandsconsulent geconcludeerd dat appellant niet alle gevraagde stukken heeft overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft het college de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet de hiervoor onder 1.2 bedoelde stukken had overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 30 augustus 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2012 ongegrond verklaard.

1.5.

Appellant heeft zich op 16 augustus 2012 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft het dagelijks bestuur bij brief van

3 september 2012 appellant verzocht uiterlijk op 10 september 2012 een aantal nog ontbrekende stukken in te leveren. Het ging daarbij onder meer om bankafschriften van rekening [nummer] over de periode van 20 mei 2012 tot en met 19 juli 2012 en om stukken die inzichtelijk maken hoe appellant in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daarbij heeft het dagelijks bestuur appellant erop gewezen dat het niet verstrekken van de gegevens tot buiten behandelingstelling van de aanvraag kan leiden. In een rapportage van 10 september 2012 heeft de bijstandsconsulent geconcludeerd dat appellant niet alle gevraagde stukken heeft overgelegd.

1.6.

Bij besluit van 13 september 2012 heeft het college de aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling gesteld. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet de hiervoor onder 1.5 bedoelde stukken had overgelegd.

1.7.

Bij besluit van 12 december 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Bestreden besluit 1

4.2.

Voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand is inzicht vereist in de financiƫle positie van betrokkene in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Het college heeft bij brief van 5 juli 2012 dan ook terecht verzocht om de in 1.2. genoemde stukken. De rechtbank heeft, anders dan appellant heeft gesteld, in dit verband terecht overwogen dat het gegevens betreffen die relevant zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Niet in geschil is dat het college appellant in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen.

4.3.

Vaststaat dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. Zo heeft appellant geen bewijzen van betaling overgelegd met betrekking tot de accommodatie en de kosten van levensonderhoud in Thailand. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet meer gegevens had kunnen verstrekken dan hij heeft gedaan omdat deze niet (meer) in zijn bezit waren. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet (meer) de beschikking kon krijgen over de gevraagde stukken dan wel over kopieƫn daarvan. Appellant heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, op geen enkele wijze geprobeerd voornoemde gegevens (alsnog) te verkrijgen. Niet duidelijk is geworden waarom appellant bijvoorbeeld geen gegevens heeft kunnen overleggen over zijn verblijf in Thailand. De enkele stelling van appellant dat de eigenaren van het appartement waar appellant stelt te hebben verbleven niet willen meewerken aan het verstrekken van informatie is, wat daar verder ook van zij, onvoldoende voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in staat was om de gevraagde betalingsbewijzen met betrekking tot de accommodatie te verstrekken.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college bevoegd was om de aanvraag om bijstand van 31 mei 2012 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Voor zover appellant heeft gesteld dat het dagelijks bestuur deze aanvraag, gelijk een eerdere aanvraag van 2 april 2012, inhoudelijk had moeten beoordelen, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat aan laatstgenoemde aanvraag een ander feitencomplex ten grondslag ligt. Bovendien staat een inhoudelijke behandeling van een eerdere aanvraag niet in de weg aan toepassing van artikel 4:5 van de Awb, mits aan de toepassingsvoorwaarden wordt voldaan. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenals de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Bestreden besluit 2

4.5.

Niet in geschil is dat het college appellant in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen met de in 1.5 bedoelde stukken en dat die aanvulling niet binnen de aan appellant gegeven termijn, die eindigde op 10 september 2012, heeft plaatsgevonden.

4.6.

De rechtbank heeft, anders dan appellant heeft gesteld, terecht overwogen dat de in 1.5 genoemde gegevens van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Vaststaat dat appellant de gevraagde bankafschriften van rekening [nummer] over de periode van

20 mei 2012 tot en met 19 juli 2012 niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd.

4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat hem vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen een tweede hersteltermijn had moeten worden gegund. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat niet valt in te zien dat de hersteltermijn zodanig kort was dat het voor appellant niet mogelijk was om bijtijds te kunnen voldoen aan het verzoek. Daarnaast heeft appellant ook niet verzocht om verlenging van de hem gegeven hersteltermijn. Dat appellant, zoals hij stelt, abusievelijk enkele bankgegevens niet heeft verstrekt moet, mede gelet op de duidelijke vraagstelling over de gevraagde gegevens, voor zijn rekening blijven.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het college bevoegd was om de aanvraag om bijstand van 16 augustus 2012 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Anders dan appellant heeft aangevoerd, brengt de enkele omstandigheid dat, zoals appellant heeft gesteld, hem later langdurigheidstoeslag is toegekend en een later ingediende aanvraag om bijstand is gehonoreerd niet vanzelf mee dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de onderhavige aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.9.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.T.P. Pot

HD