Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
13-4781 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Appellant is in gebreke gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen hoe hij in de reiskosten naar Thailand, de kosten van de accommodatie aldaar en zijn kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand niet vast te stellen. Zorgvuldige besluitvorming in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4781 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 augustus 2013, 12/1266 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, gemeentelijk collectief voor werk, inkomen en zorg (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/4802 WWB, 13/4803 WWB en 13/4962 WWB, plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Namens appellant is mr. Brauer verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving, met een enkele onderbreking, vanaf 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 26 februari 2012 ingetrokken op de grond dat op die dag de maximale periode van vier weken, waarin appellant met behoud van bijstand in Thailand kon verblijven, was verstreken. Bij de uitspraak van heden, 13/4962 WWB, heeft de Raad die intrekking van de bijstand van appellant in stand gelaten.

1.3.

Na zijn terugkeer vanuit Thailand heeft appellant zich op 2 april 2012 gemeld om bijstand aan te vragen. Tijdens het intakegesprek is geconstateerd dat uit de door appellant ingeleverde bankafschriften niet blijkt waarvan hij in Thailand heeft geleefd. Bij die gelegenheid heeft appellant gezegd dat dit Kompas niets aangaat, maar ook dat hij heel zuinig leeft en daarom geld van zijn uitkering heeft gespaard om in Thailand van te leven. Van een gesprek met appellant op 17 april 2012 is gerapporteerd dat appellant heeft verklaard dat hij zijn reis naar Thailand, het verblijf en de kosten van levensonderhoud heeft betaald van ontvangen verjaardagsgeld, dat hij betalingsbewijzen van zijn reis niet meer had en daarom ook niet kon overleggen. Daarbij is appellant verzocht om mee te werken aan een huisbezoek om onder meer uit te sluiten dat appellant beschikt over een andere bron van inkomsten, omdat er nog steeds geen bewijs is waaruit blijkt hoe hij zijn reis naar Thailand heeft betaald en waarvan hij heeft geleefd. Appellant was niet bereid mee te werken aan dit huisbezoek.

1.4.

Bij besluit van 26 april 2012, voor zover hier van belang, heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Dit besluit was gebaseerd op de weigering van appellant om mee te werken aan het huisbezoek. Bij besluit van 4 juli 2012 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2012, voor zover daarbij de aanvraag buiten behandeling is gesteld, gegrond verklaard en die aanvraag alsnog afgewezen. Aan deze afwijzing ligt ten grondslag dat appellant in gebreke is gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen hoe hij in de reiskosten naar Thailand, de kosten van de accommodatie aldaar en zijn kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Daarom heeft appellant niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB voldaan, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In een geval waarin het bijstandverlenend orgaan een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling heeft gesteld en na bezwaar bij de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag heeft beslist, vangt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel aan op de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De periode eindigt op de datum van de beslissing op bezwaar of - zo het bijstandverlenend orgaan de betrokkene met ingang van een eerdere datum bijstand heeft verleend - tot aan die eerdere datum. Het voorgaande betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 2 april 2012 tot en met 4 juli 2012.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaande aan de bijstandsaanvraag. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven is en dat het bijstandverlenend orgaan in beginsel gerechtigd is ook gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van de aanvraag.

4.3.

Naar aanleiding van het gevraagde bewijs van betaling van het vliegticket naar Thailand, de accommodatie en de kosten van levensonderhoud aldaar heeft mr. Brauer bij brief van

26 juni 2012 het dagelijks bestuur bericht dat appellant geen betaalbewijzen meer heeft, dat de kosten van levensonderhoud aldaar veel lager liggen dan in Nederland, dat de kosten van de accommodatie van appellant € 150,- per maand bedroegen en dat het vliegticket ongeveer

€ 700,- heeft gekost. De mededeling dat appellant niet over enig betaalbewijs beschikte blijkt niet juist te zijn, omdat appellant bij een volgende aanvraag om bijstand een bankafschrift heeft ingeleverd waaruit de aankoop van dit vliegticket blijkt. Voor zover appellant niet langer beschikte over een bewijs van betaling van de kosten van de gehuurde accommodatie in Thailand, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om een dergelijk bewijs alsnog van de verhuurder van de accommodatie te verkrijgen. Appellant heeft aangevoerd dat hij de kosten van de reis naar Thailand en het verblijf aldaar heeft gefinancierd uit spaargeld, belastingteruggaven, verzekeringsuitkeringen en andere toeslagen en dat hij een en ander heeft betaald van geld dat hij bij zich had. Appellant heeft evenwel geen bewijs geleverd dat hij in 2011 of begin 2012 bedragen van zijn bankrekeningen heeft opgenomen die verklaren dat hij op die wijze zijn verblijfskosten en de kosten van levensonderhoud in Thailand gedurende ruim twee maanden heeft voldaan. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie ten tijde hier van belang en daardoor tekortgeschoten is in de nakoming van de inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Voorts heeft appellant aangevoerd, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, dat het dagelijks bestuur bij de besluitvorming in bezwaar niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, omdat de commissie bezwaar en beroep van Kompas (commissie) alleen advies heeft uitgebracht over de buiten behandelingstelling van de aanvraag en niet over de uiteindelijke afwijzing van de aanvraag. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ingevolge

artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit herroept en voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit neemt. Het dagelijks bestuur heeft bij het bestreden besluit het besluit van 25 april 2012, in zoverre daarbij de aanvraag van appellant om bijstand buiten behandeling is gesteld, herroepen en alsnog een inhoudelijke beslissing op die aanvraag genomen. Het dagelijks bestuur was niet gehouden om de commissie te horen over het voornemen een inhoudelijk besluit op de aanvraag te nemen. Evenmin kan worden gezegd dat het zorgvuldigheidsbeginsel daartoe noopte. Daarbij wordt nog aangetekend dat de gemachtigde van appellant, desgevraagd, het dagelijks bestuur heeft bericht dat hij er geen behoefte aan had opnieuw gehoord te worden naar aanleiding van de door hem bij brief van 26 juni 2012 verstrekte gegevens.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.T.P. Pot

HD