Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
13-596 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Gezamenlijk hoofdverblijf. Voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Uitgegaan kan worden van de juistheid van de tegenover de sociaal rechercheur aanvankelijk afgelegde en ondertekende verklaring. Niet aannemelijk deze verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Schending inlichtingenverplichting. Over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2002 hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op (aanvullende) bijstand. Niet gezegd kan worden dat de hoogte van het recht van appellanten op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden over de jaren 2003 tot en met 2008 niet kan worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/358
JWWB 2014/251

Uitspraak

13/596 WWB, 13/599 WWB

Datum uitspraak: 30 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van

20 december 2012, 12/571 (aangevallen uitspraak 1) en 12/573 (aangevallen uitspraak 2).

Partijen:

[Appellant 1] te [woonplaats] (appellant 1)

[appellant 2] te [woonplaats] (appellant 2)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.L. Sarin, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Appellant 2 is verschenen, bijgestaan door mr. Sarin, die ook is opgetreden voor appellant 1. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.A. van den Hoff.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant 1 ontving in de periode van 1 juli 1991 tot en met 31 mei 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar in 2009 heeft appellant 1 een uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven ongehuwd te zijn en samen te wonen met zijn partner, zijnde appellant 2, op het adres

[adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Omdat appellant 1 bij het college als alleenstaande bekend stond, heeft het college het Bureau Fraudebestrijding verzocht een controleonderzoek te verrichten. Dat onderzoek is afgerond op 6 augustus 2009. Naar aanleiding hiervan heeft de Sociale Recherche Haarlem (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant 1 verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, bij verschillende instanties informatie ingewonnen, meerdere getuigen gehoord, waaronder buurtbewoners van het uitkeringsadres, en appellanten verhoord. De bevindingen van dat nadere opsporingsonderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 11 augustus 2011 en een

proces-verbaal van 7 september 2011.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

19 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2011 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant 1 met ingang van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2009 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant 1 terug te vorderen tot een bedrag van € 136.638,70. Bij afzonderlijk besluit van 19 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college dit bedrag mede van appellant 2 teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder daarvan bij het college melding te maken.

2.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college gelet op de in bezwaar ingebrachte uitkeringsspecificaties van appellant 2 onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding zou bestaan tot matiging van het bedrag van terugvordering. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat appellant 1 er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat recht bestaat op (aanvullende) bijstand, nu niet bekend is of andere inkomsten zijn genoten dan wel of sprake is geweest van vermogen van appellant 2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellant 1 heeft zich in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten. Appellant 2 heeft zich in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd. Appellanten betwisten dat zij een gezamenlijke huishouding voerden omdat zij elkaar geen wederzijdse zorg verleenden. Verder is het college ten onrechte overgegaan tot (volledige) terugvordering. Indien al een gezamenlijke huishouding tussen hen moet worden aangenomen, hadden appellanten samen aanspraak op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden, aangezien zij in de te beoordelen periode niet beschikten over voldoende middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 3, derde lid, van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

Niet in geschil is dat appellanten gedurende de gehele te beoordelen periode in geding een gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.3.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en de hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.4.

De onderzoeksbevindingen bieden een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Appellant 2 betaalt de uitvaartverzekering van appellant 1. Appellant 1 heeft verder verklaard dat het financiële plaatje - de vaste lasten, boodschappen en de aankoop van duurzame gebruiksgoederen - gewoon gedeeld wordt door hem en appellant 2. De kosten van de staanplaats op de camping [naam camping], op welke camping zij samen een stacaravan hebben staan, worden eveneens gedeeld. Ook appellant 2 heeft - onder meer - verklaard dat de kosten van de boodschappen door appellanten worden gedeeld.

4.5.

Naast de in 4.4 genoemde financiële verstrengeling, die verder gaat dat het uitsluitend delen van de woonlasten en de hiermee samenhangende lasten, blijkt uit de verklaringen van appellanten dat zij ook anderszins in de zorg voor elkaar voorzien. Appellant 1 kookt voor beiden en doet de dagelijkse boodschappen. Appellant 2 doet eveneens boodschappen, doet de was van appellanten en maakt de woning schoon. Ook onderhoudt appellant 2 de tuin, laat hij de hond van appellanten uit en verzorgt hij hun papegaai.

4.6.

Appellanten hebben betoogd dat hun verklaringen bij de sociale recherche onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd waardoor de processen-verbaal van verhoor niet als bewijs kunnen dienen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Een latere intrekking of ontkenning van die verklaring heeft weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Dat de door appellanten afgelegde verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, in essentie geen juiste weergave bevatten van wat appellanten tegenover de sociaal rechercheurs hebben verklaard of om andere reden buiten beschouwing moeten blijven, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. De verklaringen van appellanten zijn gedetailleerd en consistent. De door de sociaal rechercheurs op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van deze verklaringen zijn door appellanten per pagina geparafeerd en zonder enig voorbehoud ondertekend.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat aan beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan. Dit betekent dat appellanten gedurende de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.8.

Appellant 1 heeft dit niet bij het college gemeld, zodat hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu als gevolg van die schending aan appellant 1 ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand is verleend, was het college bevoegd de bijstand in te trekken.

4.9.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:8094), is het college, nu vaststaat dat appellant 1 tekort is geschoten in zijn wettelijke verplichting tot het geven van juiste en volledige inlichtingen, in beginsel bevoegd de gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het is dan aan appellanten om aannemelijk te maken dat, ook als appellant 1 zijn verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, aan hen (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden over die perioden zou zijn verstrekt.

4.10.

Appellanten hebben aangevoerd dat het inkomen van appellant 2 in de te beoordelen periode ontoereikend was en de terugvordering gematigd zou moeten worden. Appellanten hebben daartoe specificaties van de door appellant 2 ontvangen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) betreffende de jaren 2002 tot en met 2009 overgelegd.

4.11.

Uit de gedingstukken komt verder naar voren, en van de zijde van het college is ter zitting bevestigd, dat het college aan appellant 2 in het jaar 2008 een langdurigheidstoeslag heeft verstrekt. Ten behoeve van de hieraan ten grondslag liggende aanvraag heeft het college onderzoek gedaan naar de inkomsten en het vermogen van appellant 2 en vastgesteld dat appellant 2 gedurende een periode van vijf jaar voorafgaande aan de bij die aanvraag in aanmerking te nemen peildatum een laag inkomen had, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft gehad en geen uitzicht had op inkomensverbetering. Gelet hierop, en in aanmerking genomen de door appellanten overgelegde uitkeringsspecificaties, kan niet worden gezegd dat de hoogte van het recht van appellanten op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden over de jaren 2003 tot en met 2008 niet kan worden vastgesteld.

4.12.

Vaststaat dat appellant 2 in de jaren 2002 en 2009 eveneens een WAO-uitkering genoot, waarvan de hoogte gelet op de onder 4.10 genoemde uitkeringsspecificaties bekend is. Concrete aanwijzingen dat betrokkene 2 in de jaren 2002 tot en met 2009 over een in aanmerking te nemen vermogen zou beschikken ontbreken. Gelet hierop en gelet op de toekenning van de langdurigheidstoeslag in 2008 is het aannemelijk dat betrokkene 2 niet over andere inkomsten dan wel in aanmerking te nemen vermogen heeft beschikt in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 mei 2009.

4.13.

Wat betreft de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2002 hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op (aanvullende) bijstand. In hoger beroep hebben appellanten weliswaar een statusoverzicht 2001 van het Uwv overgelegd, waaruit volgt dat appellant 2 in de jaren 1997 tot en met 2001 een WAO-uitkering heeft ontvangen, maar op basis daarvan kan niet worden vastgesteld wat de inkomsten van appellant 2 in die periode waren. Bovendien is niet bekend of in die periode andere inkomsten zijn genoten en of sprake is (geweest) van vermogen.

4.14.

Met wat in 4.13 is overwogen, is gegeven dat het college over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2002 bevoegd was om tot volledige (mede-) terugvordering van de kosten van bijstand over die periode over te gaan. Gelet op wat in 4.11 en 4.12 is overwogen, staat dat voor de periode vanaf 1 januari 2002 nog niet vast. De besluitvorming berust in zoverre op een gebrekkige motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten, en aangevallen uitspraak 2 komen om die reden - voor zover dit de (mede)terugvordering betreft - voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.15.

Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie, dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van het begrip gezamenlijke huishouding, zal het college worden opgedragen om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. Die besluiten betreffen nog uitsluitend de uitwerking van de nader vast te stellen (mede) terugvordering. Daarbij dient het college te betrekken dat appellanten zich ter zitting bij de Raad bereid hebben verklaard - indien gewenst - alle bankafschriften van appellant 2 over de periode vanaf 2002 aan het college ter inzage te verstrekken, teneinde vast te kunnen stellen dat appellant 2 in die periode geen andere inkomsten heeft gehad.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Nu sprake is van samenhangende zaken worden deze kosten begroot op € 487,- in beroep (van appellant 2) en op € 974,- in hoger beroep (van appellanten 1 en 2) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten en voor zover dit de

terugvordering betreft;

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2;

- draagt het college op nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van appellanten, met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van in totaal € 1.461,-;

- bepaalt dat het college aan appellant 1 het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt;

- bepaalt dat het college aan appellant 2 het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD