Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
12-6354 Wia
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning IVA-uitkering. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 16 mei 2011. Mate arbeidsongeschikheid van 53,9%. Het Uwv heeft terecht vanaf 16 mei 2011 weer functionele mogelijkheden aanwezig geacht als neergelegd in de FML van 10 augustus 2010. Met deze FML is in voldoende mate rekening gehouden met de geobjectiveerde schouder-, rug-, bekken en incontinentieklachten van appellante en haar psychische klachten. Er zijn geen aanwijzingen dat appellante met de in de FML opgenomen urenbeperking van 4 uren per dag en 20 uren per week tekort zou zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6354 WIA

Datum uitspraak: 26 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

17 oktober 2012, 12/352 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2014. Namens appellante is mr. Smit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 11 februari 2008 uitgevallen voor haar werkzaamheden als administratief medewerkster wegens zwangerschapsklachten. Bij besluit van 8 juni 2010, gehandhaafd bij besluit van 3 november 2010, heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 juni 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. Op 2 augustus 2010 heeft appellante zich, vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld met pijnklachten aan de linker schouder en zwangerschapsklachten. Appellante is in aanmerking gebracht van een uitkering op grond van de Ziektewet en met ingang van 23 januari 2011 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Op 16 mei 2011 heeft appellante zich wederom ziek gemeld.

1.3. Bij besluit van 13 september 2011 heeft het Uwv appellante met ingang van 16 mei 2011 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering, lopend tot 16 juli 2011.

1.4. Bij een tweede besluit van 13 september 2011 heeft het Uwv appellante met ingang van 16 juli 2011 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten van 13 september 2011.

1.6. Hangende de bezwaarprocedure heeft onderzoek plaatsgevonden door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft de hoorzitting bijgewoond, appellante aansluitend onderzocht en kennis genomen van informatie van de behandelend psychiater, gynaecoloog en orthopedische chirurg. In zijn rapport van 14 februari 2011 (lees: 2012) heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellante op 2 augustus 2010 deels met dezelfde gezondheidsklachten is uitgevallen als waarvoor per 1 juni 2010 een uitkering op grond van de Wet WIA was geweigerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante in verband met de zwangerschap, de bevalling en de complicaties hierna volledig arbeidsongeschikt geacht tot 16 mei 2011. Met ingang van

16 mei 2011 heeft hij appellante belastbaar geacht overeenkomstig de destijds door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 augustus 2011. De bezwaarverzekeringsarts heeft de in die FML opgenomen beperkingen gelet op de medische problematiek van appellante, bestaande uit dysthymie, schouderklachten zonder substraat, rug- en bekkenklachten en incontinentieklachten, passend geacht. Uitgaande van de FML van

10 augustus 2011 heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 15 februari 2012 de functies van medewerker gordijnenatelier (SBC-code 111160), medewerker huishoudelijke dienst (SBC-code 111333) en wikkelaar (SBC-code 267050) voor appellante geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de verdiensten in deze functies berekend op 53,9%.

1.7. Op basis van de in 1.6 genoemde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv het besluit van 20 februari 2012 (bestreden besluit) genomen. Bij dit besluit heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van

13 september 2011 gegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellante van

30 augustus 2010 tot en met 30 september 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij gesteld op 100%. Het Uwv heeft verder vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante is geƫindigd op 30 september 2010 en dat voor haar vanaf 1 oktober 2010 recht is ontstaan op een

WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid eveneens is gesteld op 100%. Met ingang van 16 mei 2011 is de mate van arbeidsongeschiktheid herzien naar 53,9%.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een zorgvuldig medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn standpunt voldoende inzichtelijk gemaakt. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Uitgaande van de FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige inzichtelijk gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich primair op het standpunt gesteld dat zij vanaf

30 augustus 2010 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een

IVA-uitkering. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij vanaf 16 mei 2011 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering. Zij heeft hiertoe gewezen op de combinatie van haar klachten, waardoor zij zich niet in staat voelt welke arbeid dan ook te verrichten. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep stukken overgelegd van haar behandelend MDL-arts, huisarts, internist en van de spoedeisende hulp, alsmede enkele in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgegeven indicatiebesluiten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante is zowel door de verzekeringsarts als door de bezwaarverzekeringsarts onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de in het dossier aanwezige medische stukken van onder meer de behandelend psychiater en aanvullende informatie opgevraagd bij de behandelend gynaecoloog en orthopedisch chirurg. Ook deze aanvullende informatie heeft hij in zijn oordeelsvorming betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 14 februari 2011 inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusies. De door appellante in hoger beroep overgelegde stukken werpen geen ander licht op de zaak. Deze stukken zien voor een deel op medische problematiek die bij de bezwaarverzekeringsarts bekend was en is meegewogen bij zijn oordeelsvorming. Voor het overige gaat het om in het kader van AWBZ afgegeven indicatiebesluiten. Deze indicatiebesluiten bevatten geen concrete medische gegevens die relevant zouden kunnen zijn voor de data in geding.

4.2.

Het Uwv heeft appellante terecht zowel vanaf 30 augustus 2010 als vanaf 1 oktober 2010 aangemerkt als volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Voorts heeft het Uwv terecht vanaf 16 mei 2011 weer functionele mogelijkheden aanwezig geacht als neergelegd in de FML van 10 augustus 2010. Met deze FML is in voldoende mate rekening gehouden met de geobjectiveerde schouder-, rug-, bekken en incontinentieklachten van appellante en haar psychische klachten. Er zijn geen aanwijzingen dat appellante met de in de FML opgenomen urenbeperking van 4 uren per dag en 20 uren per week tekort zou zijn gedaan.

4.3.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 15 februari 2012 voldoende onderbouwd dat appellante, uitgaande van de FML van 10 augustus 2010, vanaf 16 mei 2011 in staat moest worden geacht de door hem geselecteerde functies te vervullen, resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van 53,9%

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E.W. Akkerman en

R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2014.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) E. Heemsbergen

QH