Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
12-4787 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er bestaat geen aanleiding om de voor appellant geldende belastbaarheid voor onjuist te houden. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport met de daarbij behorende notitie functiebelasting in voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat de belasting van de functies in overeenstemming is met de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4787 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

16 juli 2012, 10/767 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013. Voor appellant is verschenen mr. Cornelisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, als onafhankelijk deskundige op

16 februari 2014 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als heftruckchauffeur voor 38 uur per week. Op 23 september 1987 is appellant uitgevallen wegens hoofdpijnklachten/migraine en geestelijk afglijden. Vanaf einde wachttijd 21 september 1988 ontvangt appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 25 juli 2008 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. Deze heeft appellant op basis van een anamnese, lichamelijk onderzoek en onderzoek van de psyche aangewezen geacht op lichte inspanningen in verband met geestelijke en lichamelijke beperkingen en de voor appellant geldende beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 juli 2008. Op 1 oktober 2008 heeft de arbeidsdeskundige vervolgens een drietal, met de beperkingen overeenkomende, functies voor appellant geselecteerd en vastgesteld dat het inkomensverlies van appellant 33,1% bedraagt. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 21 oktober 2008 aan appellant meegedeeld dat de WAO-uitkering per 22 december 2008 herzien wordt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij beslissing op bezwaar van 25 februari 2009 is het bezwaar tegen dit besluit - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in het rapport van 17 februari 2009 - ongegrond verklaard.

1.2. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de uitspraak van

30 december 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit. Naar het oordeel van de rechtbank was het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest. De door appellant overgelegde informatie van psychiater

F. Kaya van 8 januari 2009 had voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding moeten zijn een externe deskundige psychiater in te schakelen. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop in zijn rapport van 8 april 2010 - na raadpleging van deskundige psychiater A.B. van Nijen van Psyon, welke op 23 februari 2010 heeft gerapporteerd - de eerder vastgelegde FML bevestigd.

1.3. Bij besluit van 9 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2008 wederom ongegrond verklaard. In de hierop volgende procedure bij de rechtbank heeft appellant een rapport van psychiater W.C. Bohlmeijer van

18 juli 2011 overgelegd waarop het Uwv door middel van een rapport van psychiater Van den Bosch van Psyon van 5 januari 2012 heeft gereageerd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien te oordelen dat het Uwv de bevindingen van de psychiater Nijen niet heeft kunnen volgen. Dat Nijen geen overleg heeft gehad met de behandelend psychiater F. Kaya heeft de rechtbank niet onzorgvuldig geacht. Voorts doet volgens de rechtbank het door appellant in beroep overgelegde rapport van psychiater

W.C. Bohlmeijer van 18 juli 2011 onvoldoende afbreuk aan de conclusies van Nijen. De conclusies van Bohlmeijer worden onvoldoende objectief medisch onderbouwd, en door Bohlmeijer wordt niet gemotiveerd waarom hij van mening is dat er al die tijd sprake is geweest van een depressieve stoornis. Naar het oordeel van de rechtbank moet op basis van de voorhanden zijnde medische gegevens, waarvan met name het rapport van Nijen en de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts worden geconcludeerd dat de door appellant geclaimde beperkingen niet volledig geobjectiveerd kunnen worden. De gedingstukken bieden de rechtbank geen aanknopingspunten te veronderstellen dat met de in de FML van

25 juli 2008 aangegeven beperkingen niet in toereikende mate de belastbaarheid van appellant is beperkt.

3.

In hoger beroep herhaalt appellant - onder verwijzing naar de bevindingen van zijn behandelend psychiater Kaya en het rapport van Bohlmeijer - zijn standpunt dat hij in verband met zijn psychische klachten niet in staat is te achten loonvormende arbeid te verrichten. Volgens appellant had Nijen informatie moeten opvragen bij Kaya. Appellant meent dat de conclusies van Bohlmeijer voldoende objectief zijn onderbouwd door zijn bevindingen. Bohlmeijer heeft in zijn reactie van 6 april 2012 op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 12 januari 2010 aangegeven dat er duidelijk objectiveerbare klachten aanwezig zijn, om welke reden er een vragenlijst is afgenomen. Bohlmeijer is als beoordelaar opgetreden en niet als behandelaar. Appellant wijst er op dat de conclusie van Bohlmeijer dat appellant langdurig lijdt aan een depressieve stoornis wordt onderschreven door behandelend psychiater Kaya. Nijen lijkt deze diagnose ten onrechte te missen.

4.

De Raad komt, zich beperkend tot hetgeen partijen in hoger beroep met betrekking tot de medische belastbaarheid van appellant verdeeld houdt, tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft in de aanwezige medische rapporten van Nijen en Van den Bosch enerzijds en Kaya en Bohlmeijer anderzijds, waarin de conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding verschillen, aanleiding gezien psychiater Koerselman in te schakelen als deskundige. Koerselman heeft bij zijn onderzoek op psychiatrisch gebeid onvoldoende klachten en verschijnselen gevonden om op grond daarvan een classificeerbare psychiatrische stoornis te kunnen vaststellen. Hij heeft daarbij geen duidelijke aanwijzingen gevonden dat de psychiatrische toestand van appellant op de datum in geding van 22 december 2008 wezenlijk anders of ernstiger is geweest dan ten tijde van het onderzoek op 30 december 2013. Koerselman heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid neergelegd in de FML van 25 juli 2008.

4.2.

De door Koerselman gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Koerselman heeft rekening gehouden met andersluidende berichten van Kaya en met de conclusies van Bohlmeijer. Koerselman heeft in dit verband terecht aangegeven dat Bohlmeijer niet is ingegaan op de argumenten van de bezwaarverzekeringsarts waarom er bij appellant geen sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat de opvatting van Bohlmeijer dat appellant niet in staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid moeilijk als doorslaggevend aangemerkt kan worden.

4.3.

Gelet op overwegingen 4.1 en 4.2 en op de omstandigheid dat appellant geen andere objectief medische gegevens in geding heeft gebracht die afbreuk doen aan de bevindingen en conclusies van deskundige Koerselman, bestaat er geen aanleiding om de voor appellant per 22 december 2008 geldende belastbaarheid voor onjuist te houden.

4.4.

Appellant moet, gelet op het in 4.3 gegeven oordeel, in staat geacht worden de voor hem passend geachte functies te verrichten. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van

8 oktober 2008 met de daarbij behorende notitie functiebelasting in voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat de belasting van de functies in overeenstemming is met de FML. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid zijn toereikend gemotiveerd.

5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) Z. Karekezi

JvC