Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
13-1950 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand beperkte periode van 1 april 2012 tot 1 juni 2012. Appellant woont niet meer binnen de betrokken gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1950 WWB

Datum uitspraak: 23 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2013, 12/3588 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Landerd (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft H.W. Jagerman, werkzaam bij Support in Finance Brabant BV, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2014. Namens appellant is Jagerman verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Morssinkhof.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1 april 2008 tot 1 april 2012 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op 29 maart 2012 heeft hij zich gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met als gewenste ingangsdatum 1 april 2012. Op 7 mei 2012 heeft appellant de aanvraag ingediend. Met ingang van 1 juni 2012 was appellant niet meer woonachtig in [plaats].

1.2.

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.

1.3.

Bij besluit van 30 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 juni 2012 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Tevens heeft het college appellant alsnog bijstand verleend met ingang van 1 april 2012 en tegelijkertijd de bijstand met ingang van 1 juni 2012 ingetrokken op de grond dat appellant niet meer in [plaats] woont.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college de bijstand met ingang van 1 juni 2012 had moeten voortzetten. Door eerst bij het bestreden besluit aan appellant bijstand te verlenen heeft het college hem de mogelijkheid ontnomen om tijdig binnen de gemeente andere woonruimte te vinden. Appellant heeft zijn eigen woning moeten verkopen, omdat hij de lasten niet meer kon opbrengen. Voorts heeft appellant verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm over de periode van juni tot en met oktober 2012, omdat het college volgens appellant verantwoordelijk is voor de door zijn handelwijze ontstane financiƫle situatie en woonsituatie van appellant.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het college de bijstandverlening aan appellant heeft kunnen beperken tot de periode van 1 april 2012 tot 1 juni 2012. De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank en het college, en anders dan appellant, bevestigend. Vaststaat dat appellant vanaf 1 juni 2012 niet meer in [plaats] woonde. Dit betekent, gelet op artikel 40, eerste lid, eerste volzin, van de WWB, dat appellant vanaf die datum jegens het college geen recht had op bijstand. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college, ondanks dat appellant niet meer woonachtig was in [plaats], de bijstandverlening vanaf die datum had moeten voortzetten. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.2.

Artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud) voorziet in de mogelijkheid tot veroordeling tot schadevergoeding in geval van een gegrond beroep. Aangezien daarvan in dit geval geen sprake is, zal de Raad het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade afwijzen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C. Moustaine

HD