Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
13-1285 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum benoeming in de functie van systeembeheerder. Anders dan appellant heeft aangevoerd, was het bij de implementatie van het nieuwe functiegebouw geen automatisme dat de locatiesysteembeheerders werden bevorderd tot systeembeheerders, schaal 7. Plaatsing in het nieuwe functiegebouw geschiedde aan de hand van nadere besluitvorming. De stichting heeft, onder meer met een verwijzing naar een memo van 18 januari 2010 waarin de plaatsingsprocedure wordt beschreven, uiteengezet dat het toedelen van nieuw beschreven en hergewaardeerde functies geschiedde op basis van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkenen tegen de achtergrond van de nieuwe functie-eisen. Er is dus geen sprake van dat de functie van systeembeheerder enkel vanwege de intrekking van het ontslag al met ingang van 1 februari 2010 aan appellant had moeten worden toebedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/3

Uitspraak

13/1285 AW

Datum uitspraak: 25 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 februari 2013, 12/1046 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Zaanstad (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A.A.M. Mijland hoger beroep ingesteld.

Namens de stichting heeft mr. drs. G.J. Heussen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mijland. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. Heussen, J. Orsel en drs. C. Zon.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 2005 aangesteld als locatiesysteembeheerder. Deze functie is gewaardeerd op schaal 6. Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft de stichting appellant met ingang van 1 februari 2009 ontslagen wegens ongeschiktheid voor zijn functie in samenhang met en subsidiair wegens (andere) redenen van gewichtige aard.

1.2. Op 1 oktober 2009 heeft de stichting in het kader van de herinrichting van het stafbureau een nieuw functiegebouw voor dat stafbureau vastgesteld. In het nieuwe functiegebouw kwam de functie van locatiesysteembeheerder niet meer voor. Wel kwam daarin voor de op schaal 7 gewaardeerde functie van systeembeheerder. Het nieuwe functiegebouw is op 1 februari 2010 in de organisatie van de stichting geïmplementeerd.

1.3. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het de stichting het ontslagbesluit van 31 oktober 2008 ingetrokken.

1.4. Op 20 mei 2010 heeft de stichting met appellant, die sinds 25 september 2007 geen werkzaamheden had verricht, een gesprek over werkhervatting gevoerd. Partijen hebben toen de afspraak gemaakt dat appellant vooralsnog blijft in zijn functie als systeembeheerder en vanuit die functie de rol van docent vervult. Verder heeft de stichting toegezegd dat, zodra appellant werkzaamheden verricht als (on)bevoegd docent, hij een aanvulling krijgt op het salaris van locatiesysteembeheerder tot dat van docent. Appellant heeft nadien geen werkzaamheden als docent verricht.

1.5. Op 9 mei 2011 heeft de stichting met appellant besproken dat het functiegebouw is gewijzigd en dat hem de functie van systeembeheerder wordt aangeboden. De stichting heeft daarbij te kennen gegeven dat het van appellant verwacht dat hij op 16 mei 2011 in deze functie gaat beginnen en dat vanaf het moment dat betrokkene start met de functie loonverrekening (van schaal 6 naar 7) plaatsvindt. Appellant is op 16 mei 2011 met zijn werkzaamheden als systeembeheerder begonnen.

1.6. Op 15 juni 2011 heeft appellant het de stichting, onder verwijzing naar het gesprek van

9 mei 2011, verzocht om de loonverrekening van schaal 6 naar 7 niet vanaf 16 mei 2011 te laten plaatsvinden, maar vanaf de datum waarop wijzigingen in het functiegebouw hebben plaatsgevonden.

1.7. Bij besluit van 22 juli 2011 heeft de stichting appellant met ingang van 16 mei 2011 benoemd in de functie van systeembeheerder, schaal 7. Bij besluit van 23 januari 2012 (bestreden besluit) heeft de stichting het bezwaar van appellant, dat was gericht tegen de ingangsdatum van de benoeming, ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt van de stichting dat de nieuwe functies van het functiegebouw slechts worden aangeboden aan medewerkers die daarvoor in aanmerking kwamen en dat de stichting vrij is te bepalen wanneer een nieuwe functie wordt aangeboden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de stichting hem pas in mei 2011 heeft geïnformeerd over het nieuwe functiegebouw en het feit dat de functie van locatiesysteembeheerder daarin niet meer voorkwam. Hij zou de afspraak van 20 mei 2010 niet hebben gemaakt als hij dat toen geweten had. Verder heeft appellant aangevoerd dat bij de implementatie van het nieuwe functiegebouw in de organisatie op

1 februari 2010 locatiesysteembeheerders automatisch werden bevorderd tot systeembeheerders. Het uitgangspunt dat intrekking van het ontslag meebrengt dat moet worden aangenomen dat dit niet heeft plaatsgevonden en moet worden gehandeld alsof het dienstverband steeds in stand is gebleven, brengt volgens appellant mee dat hij met ingang van 1 februari 2010 moet worden ingeschaald in schaal 7.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO7767) geldt als uitgangspunt dat met de intrekking van een verleend ontslag het dienstverband herleeft in de vorm die het had voordat tot ontslagverlening werd besloten. In dit geval bestaat geen aanleiding te oordelen dat op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Dat betekent dat appellant na intrekking van het ontslagbesluit van 31 oktober 2008 in dienst was als locatiesysteembeheerder,

schaal 6.

4.2.

Het gesprek van 20 mei 2010 vond plaats tegen de achtergrond van het gegeven dat appellant sinds 25 september 2007 feitelijk niet als locatiesysteembeheerder had gewerkt en van de ontwikkelingen die zich vanaf het ontslagbesluit van 31 oktober 2008 hadden voorgedaan. Gelet op de op 20 mei 2010 gemaakte afspraken, heeft de stichting de plaatsing van appellant in de functie van locatiesysteembeheerder en de daarbij behorende bezoldiging in schaal 6 niet gewijzigd, maar hem wel toegestaan als docent te werken en zich voorgenomen om, indien hij als docent aan de slag zou gaan, de bezoldiging aan te vullen tot dat van docent. Tegen deze, op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals dat artikel destijds luidde, met een besluit gelijk te stellen handeling heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

4.3.

Het verzoek van 15 juni 2011 strekt ertoe dat de stichting terugkomt van de onder 4.2 omschreven handeling en appellant over de periode van 1 februari 2010 tot 16 juni 2011 betaalt overeenkomstig schaal 7. Bij zijn verzoek heeft appellant gewezen op de wijzigingen van het functiegebouw en tijdens de hoorzitting op 8 november 2011 heeft hij daaraan toegevoegd dat hij van deze wijzigingen niet op de hoogte was. Op zo’n verzoek is artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.4.

In het midden kan blijven of wat appellant in de bestuurlijke fase ter onderbouwing van zijn verzoek van 15 juni 2011 heeft aangevoerd, kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het is immers zonder meer duidelijk dat de implementatie van de wijziging van het functiegebouw in de organisatie per 1 februari 2010 en de onbekendheid van appellant daarmee, niet van belang kunnen zijn voor de onder 4.2 omschreven handeling. De Raad stelt voorop dat, zoals hij eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:682), bij een reorganisatie in beginsel geen afdwingbare aanspraak bestaat op plaatsing in een hoger gewaardeerde functie. In dit geval bestaat geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Anders dan appellant heeft aangevoerd, was het bij de implementatie van het nieuwe functiegebouw geen automatisme dat de locatiesysteembeheerders werden bevorderd tot systeembeheerders, schaal 7. Plaatsing in het nieuwe functiegebouw geschiedde aan de hand van nadere besluitvorming. De stichting heeft, onder meer met een verwijzing naar een memo van 18 januari 2010 waarin de plaatsingsprocedure wordt beschreven, uiteengezet dat het toedelen van nieuw beschreven en hergewaardeerde functies geschiedde op basis van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkenen tegen de achtergrond van de nieuwe functie-eisen. Er is dus geen sprake van dat de functie van systeembeheerder enkel vanwege de intrekking van het ontslag al met ingang van 1 februari 2010 aan appellant had moeten worden toebedeeld.

4.5.

Het overwogene onder 4.4 betekent dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht, zij het gelet op wat onder 4.3 is overwogen op niet geheel juiste gronden, ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt daarom met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en H.C.P. Venema en

J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.R. Schuurman

HD