Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
13-1981 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om het ontslagbesluit te herzien. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1981 MAW

Datum uitspraak: 25 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2013, 12/10629 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2014. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Verkroost en mr. L.M. Ju.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 7 januari 1980 als militair aangesteld. Vanaf 1997 was hij werkzaam als Sportinstructeur in de rang van sergeant-majoor (Sm) bij het [naam korps].

1.2. Op 21 juli 1997 is appellant wegens functioneringsbeperkingen, bestaande uit het vermijden van zware heup- en kniebelasting, niet inzetbaar geacht voor operationele taken. Naar aanleiding van het militair geneeskundig onderzoek (MGO) van 22 september 1997 is appellant op 17 februari 1998 meegedeeld dat hij ongeschikt is bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst.

1.3. Bij besluit van 28 april 1999 is aan appellant met ingang van 10 juli 1999 eervol ontslag verleend wegens blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek als bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4. Op 15 februari 2010 is appellant opnieuw als militair aangesteld in de functie van STOO Werkvoorbereider bij 130 Clustercompagnie in de rang van Sm. Per 1 oktober 2012 is aan appellant de functie toegewezen van Compagnie Sm bij 110 Transportcompagnie.

2.1. Bij rekest van 5 oktober 2011 heeft appellant de minister verzocht om het ontslagbesluit van 28 april 1999 te herzien. Daarmee beoogt appellant eerherstel, herstel van pensioenrechten, en bevordering naar de naast hogere rang van adjudant te bereiken. Bij zijn verzoek heeft appellant verwezen naar de uitslagen van een voorkeuring en een reguliere keuring van 14 september 2009, waarbij hij geschikt is bevonden voor aanstelling in de functie van Sm Logistiek Bevoorrading en Transport, en naar de uitslag van een medische keuring van 21 juni 2011, waarbij hij geschikt is bevonden voor alle functies met functiecluster 1 tot en met 4. Deze keuringsuitslagen zijn in de visie van appellant nieuwe feiten en omstandigheden op basis waarvan het besluit van 28 april 1999 moet worden herzien.

2.2. Bij besluit van 31 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2012, (bestreden besluit) heeft de minister dit verzoek afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag het standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die, indien deze bekend zouden zijn geweest ten tijde van het besluit van 28 april 1999, hadden moeten leiden tot een ander oordeel.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het feit dat appellant bij de keuring in 2009 en 2011 wel geschikt is bevonden voor de militaire dienst, niet maakt dat de keuringsuitslag van 17 februari 1998 een onjuist beeld geeft van de situatie op dat moment. Nu de uitslagen van deze keuringen niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die de grondslag aan het ongeschiktheidsoordeel uit 1998 ontnemen, bestond er voor de minister geen aanleiding om het ontslagbesluit van 28 april 1999 te herzien.

4.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het, gelet op de keuringsuitslagen in 2009 en 2011 en het feit dat hij inmiddels al jaren zijn werk naar behoren verricht, aantoonbaar onjuist is dat appellant in 1999 ‘blijvend dienstongeschikt’ is bevonden. Blijvend dienstongeschikt betekent immers nooit meer geschikt om binnen defensie welke functie dan ook te vervullen. Appellant heeft er verder op gewezen dat de slijtage aan zijn heupen en knieën bij de voorkeuring in 2009 uitvoerig is onderzocht voordat hij geschikt werd bevonden en dat eenmaal opgetreden slijtage niet kan verbeteren. Ten slotte heeft appellant een rapportage van een in opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uitgevoerd onderzoek van de orthopeed dr. Z. Milly overgelegd, waaruit blijkt dat deze van oordeel is dat appellant, ondanks een zekere mate van slijtage, geen beperkingen voor het functioneren heeft. Appellant is van mening dat hij hiermee genoegzaam heeft aangetoond dat de keuringsuitslag van 17 februari 1998 voorbarig en onjuist is geweest en meent dat het ontslagbesluit van 28 april 1999 daarom had moeten worden herzien.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het verzoek van appellant van 5 oktober 2011 strekt ertoe dat de minister terugkomt van zijn besluit van 28 april 1999. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van

21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen.

5.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Hoewel de keuringsuitslagen van 2009 en 2011 ten tijde van het besluit van 28 april 1999 niet bekend waren, en in die zin dus sprake is van nieuwe gegevens, werpen deze gegevens geen nieuw licht op de medische toestand van appellant in de jaren 1997 tot en met 1999. Uit de keuringsuitslagen kan namelijk enkel worden afgeleid dat de beperkingen van appellant als gevolg van de slijtage in zijn heupen en knieën in 2009 en 2011 anders zijn ingeschat dan in 1997. Deze andere inschatting van de geschiktheid van appellant voor de militaire dienst is geen relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid.

5.3.

De term ‘blijvende ongeschiktheid’ in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het AMAR, is nader ingevuld in het Militair keuringsreglement. Gelet op het bepaalde in

artikel 8, eerste lid, van het Militair keuringsreglement, diende de keuringsarts in 1997 te beoordelen of moest worden verwacht dat de afwijking van appellant hem zou verhinderen de dienst naar behoren te verrichten zonder zijn gezondheid of die van anderen te schaden. Appellant kan worden gevolgd in zijn stelling dat uit het gegeven dat hij in 2009 en 2011 geschikt is bevonden voor het vervullen van militaire dienst en uit het gegeven dat hij ten tijde van de besluitvorming weer enige jaren zijn werk naar behoren verrichtte, kan worden vastgesteld dat zijn ongeschiktheid niet blijvend is bevonden. Bij de beoordeling in 1997 heeft de keuringsarts echter een oordeel gegeven over de geschiktheid van appellant voor de militaire dienst naar de stand van zaken toentertijd. Dat meer dan tien jaar later keuringsartsen de geschiktheid van appellant voor de militaire dienst op dat moment anders beoordelen, levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op ten aanzien van de in 1997 vastgestelde blijvende ongeschiktheid voor de militaire dienst.

5.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt met feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep als nieuw feit naar voren worden gebracht geen rekening gehouden bij de rechterlijke toetsing van besluiten die met toepassing van artikel 4:6 van de Awb zijn genomen (CRvB 14 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594). De rapportage van

dr. Milly kan daarom niet leiden tot een ander oordeel.

5.5.

De minister mocht het verzoek om herziening dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 28 april 1999. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

W.J.A.M. van Brussel en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD