Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
14-4185 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd levert geen grond op om te oordelen dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat verzoekster bijstand ontvangt naar de norm voor een alleenstaande. Dat het college de bijstand van verzoekster heeft verlaagd, doet, nog daargelaten dat dit in deze procedure niet aan de orde is, er niet aan af dat zij een bijstandsuitkering ontvangt, die toereikend moet worden geacht om in haar levensonderhoud te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/4185 WWB-VV

Datum uitspraak: 25 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

Noord-Nederland van 14 juli 2014, 14/320 (aangevallen uitspraak).

Verzoekster heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Op 5 en 18 september 2014 heeft verzoekster aanvullende stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Na verzoekster aanvankelijk met ingang van 1 januari 2005 bijstand te hebben verleend, heeft het college bij besluit van 12 juli 2005 de aanvraag om bijstand van verzoekster alsnog afgewezen en bij besluit van dezelfde datum de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005 tot een bedrag van € 7.570,81 van verzoekster teruggevorderd. Het college heeft appellante met ingang van 12 april 2006 weer bijstand verleend.

1.2.

Na een bezwaar- en beroepsprocedure heeft de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 19 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4505, voor zover van belang, de besluiten van 12 juli 2005 herroepen.

1.3.

Het college heeft in 2007 de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met

12 april 2006 aan verzoekster nabetaald, inclusief het door haar terugbetaalde bedrag van

€ 7.570,81 en de wettelijke rente over het nabetaalde bedrag vergoed tot een bedrag van

€ 1.455,45. Voorts heeft het college verzoekster bij besluit van 5 juli 2007 een schadevergoeding toegekend van € 13.413,99. Bij beslissing op bezwaar 6 mei 2010 heeft het college dit bedrag verhoogd met € 3.626,11.

1.4.

Bij uitspraak van 7 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9627, voor zover van belang, heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 6 mei 2010 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van fiscale schade is afgewezen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het college aan verzoekster de door haar geleden fiscale schade vergoedt tot een bedrag van € 4.305,-.

1.5.

Bij brieven van 17 september 2013 en 13 oktober 2013 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het feit dat zij de bij het besluit van 5 juli 2007 toegezegde schadevergoedingsbedragen niet heeft ontvangen. Tevens heeft zij het college verzocht een nieuw besluit te nemen in verband met door haar geleden schade, waaronder vermogensverlies ten gevolge van de gedwongen verkoop van haar woning, geleden immateriële schade en gederfd inkomen.

1.6.

Bij besluit van 22 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college de brief van verzoekster van 17 september 2013 aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 5 juli 2007 en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

Het college heeft de in 1.5 genoemde brieven van verzoekster tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Bij besluit van 23 december 2013 heeft het college het verzoek om schadevergoeding met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Bij brief van 23 januari 2014 heeft verzoekster hiertegen bij de rechtbank bezwaar gemaakt.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De brief van verzoekster van 23 januari 2014 heeft de rechtbank aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 23 december 2013. De rechtbank heeft zich op dat punt onbevoegd verklaard en heeft het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorgezonden naar het college. Met betrekking tot de stelling van verzoekster dat het college de in het besluit van 5 juli 2007 toegezegde schadevergoedingsbedragen niet heeft uitbetaald, heeft de rechtbank overwogen dat dit een executiegeschil betreft waarin de bestuursrechter niet bevoegd is.

3.

Verzoekster heeft in het kader van haar verzoek om een voorlopige voorziening het volgende aangevoerd. Vanaf 2005 heeft zij medische en psychische klachten die zijn verergerd door treiterijen van het college. Zo heeft het college de woonkostentoeslag van verzoekster ingetrokken en haar bijstand verlaagd naar de norm voor een alleenstaande, terwijl zij samenwoont met haar twee dochters van respectievelijk 18 en 21 jaar. Hierdoor wordt het wonen in [woonplaats] verzoekster onmogelijk gemaakt. Door de jarenlange strijd met het college, door alle schulden en doordat verzoekster te weinig inkomen heeft, heeft verzoekster haar auto, paardentrailer en een paard, eigendom van haar en haar dochter, moeten verkopen. Hierdoor is het voor haar dochter niet meer mogelijk om jaarlijks te worden geselecteerd voor talentenontwikkeling in de paardensport en zijn verzoekster en haar dochters in een sociaal isolement geraakt. Verzoekster stelt dat zij wegens jarenlange treiterijen van het college recht heeft op vergoeding van door haar geleden immateriële schade tot een bedrag van € 350.000.000,- en op vergoeding van inkomensschade tot een bedrag van € 1.000.000,-. Tevens heeft zij recht op vergoeding van schade die verband houdt met de executoriale verkoop van haar woonhuis in 2006 tot een bedrag van € 325.000,- en op vergoeding van schade wegens schending van artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden tot een bedrag van

€ 250.000,-. Verzoekster verzoekt om bij wijze van voorlopige voorziening het college te veroordelen tot vergoeding van schade tot de hiervoor genoemde bedragen.

4.

Naar aanleiding van dit verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoekster niet in stand zal kunnen blijven en zij een uitspraak van de Raad wenst over een hogere schadevergoeding - wat daar verder ook van zij - op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vordert.

4.3.

Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd levert geen grond op om te oordelen dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat verzoekster bijstand ontvangt naar de norm voor een alleenstaande. Dat het college de bijstand van verzoekster heeft verlaagd, doet, nog daargelaten dat dit in deze procedure niet aan de orde is, er niet aan af dat zij een bijstandsuitkering ontvangt, die toereikend moet worden geacht om in haar levensonderhoud te voorzien. De omstandigheid dat verzoekster meent recht te hebben op een hogere schadevergoeding dan het bedrag van € 21.345,10 dat haar uiteindelijk is toegekend, levert op zichzelf geen spoedeisend belang op voor het treffen van een voorlopige voorziening. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoekster, zoals zij stelt, schulden heeft en in verband daarmee een aantal zaken heeft moeten verkopen.

4.4.

Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door haar zou kunnen worden afgewacht. Dat blijkt in ieder geval niet uit de brieven van verzoekster van

5

en 18 september 2014

4.5.

Het verzoek is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, buiten zitting uitspraak zal doen.

5.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

25 september 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD