Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
12-5236 MAW-T
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Opleiding en bevordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5236 MAW-T

Datum uitspraak: 5 juni 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

8 augustus 2012, 11/9275 en 12/1092 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft L.C. van der Hulst een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Arts.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is ingaande 31 oktober 1994 als militair tewerkgesteld bij de Koninklijke marechaussee (Kmar). In december 1999 is hij bevorderd tot wachtmeester der eerste klasse. In september 2004 is hij gedetacheerd bij de Dienst Speciale Interventies (DSI) van het Korps landelijke politiediensten (Klpd). Betrokkene was aangewezen voor het volgen van de Hogere Onderofficiers Vorming Koninklijke Marechaussee 2006 (HOOV). Bij besluit van

21 augustus 2006 is betrokkene echter van het volgen van deze opleiding ontheven omdat operationele redenen dit niet toelieten. Hierbij is het volgende opgemerkt: “Zodra de situatie verandert en u wel beschikbaar bent om een langdurige opleiding te volgen wijs ik u aan voor deelname aan de HOOV KMar. Teneinde u, ten opzichte van uw collega’s die de HOOV KMar 2006 4e periode hebben gevolgd, noch in een voordelige noch in een nadelige positie te brengen bepaal ik het volgende. Nadat u de HOOV KMar met goed gevolg heeft voltooid en aan u een functie in de naasthogere rang is toegewezen, wordt u voor wat betreft uw ervaringsopbouw in een gelijke positie gebracht als ware u per 1 januari 2007 bevorderd tot opperwachtmeester. Teneinde u in dit geval in financiële zin te compenseren zal ik de periode vanaf 1 januari 2007 tot uw feitelijke aanvangsdatum functievervulling in de naasthogere rang zodanig financieel administratief stellen als ware het dat u gedurende die periode de rang bekleedde van opperwachtmeester.”

1.2. Op 25 september 2007 heeft betrokkene een rekestformulier ingediend bij appellant waarin hij verzoekt hem per 1 september 2004, de datum waarop zijn werkzaamheden bij het Klpd aanvingen, te bevorderen tot opperwachtmeester.

1.3. Bij besluit van 1 november 2010 is betrokkene in reactie op het rekest bericht dat aan de in het onder 1.1 vermelde besluit van 21 augustus 2006 vervatte toezegging om onverklaarbare reden nooit uitvoering is gegeven. Betrokkene wordt daarom alsnog met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 bevorderd tot opperwachtmeester. Het verzoek om verdere terugwerkende kracht tot 1 september 2004 wordt afgewezen omdat betrokkene zich in 2004 niet daadwerkelijk heeft gemeld voor het volgen van de HOOV. Bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het besluit van 1 november 2010 gehandhaafd op grond van de overweging dat betrokkene tegen het besluit van 21 augustus 2006 geen rechtsmiddelen heeft aangewend zodat dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden en geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die tot heroverweging nopen.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daartoe is overwogen dat de - hiervoor onder 1.1. geciteerde - passage in het ontheffingsbesluit van 21 augustus 2006 moet worden gekwalificeerd als een toezegging en niet als een besluit. Het rekest van betrokkene betreft dus geen verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit. Dit betekent dat appellant zich niet kan beroepen op het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant (ten onrechte) geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden rond de detachering van betrokkene en met name de daarbij gemaakte afspraken en toezeggingen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Betrokkene heeft deze uitspraak juist onderschreven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bewuste passage in het besluit van

21 augustus 2006 niet meer dan een toezegging behelst over financiële compensatie voor de ontheffing van de opleiding in 2006. Over bevordering als zodanig is daarbij nog niets beslist. Een eventueel bevorderingsbesluit lag nog in het verschiet. Niet gezegd kan worden dat betrokkene door geen rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 21 augustus 2006 heeft berust in het feit dat hij niet eerder dan 1 januari 2007 voor bevordering tot opperwachtmeester in aanmerking zou komen.

4.2.

Appellant heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat een (meer) inhoudelijke beslissing op het bezwaar van betrokkene achterwege kon blijven. In het bijzonder is ten onrechte geen aandacht besteed aan de stelling van betrokkene dat hij zich in 2004 voor detachering bij de Klpd beschikbaar heeft gesteld op een indringend verzoek van de luitenant-kolonel K, dat door overwegingen van dienstbelang was ingegeven. Daarmee samenhangend zou betrokkene zich toen niet voor het volgen van de HOOV hebben aangemeld.

4.3.

Nu nog geen uitvoering is gegeven aan de aangevallen uitspraak ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2014.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) B. Rikhof

HD