Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
13-497 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-aanvraag terecht buiten behandeling gelaten. Geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde ontbrekende gegevens binnen de gestelde hersteltermijn te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/497 WAO

Datum uitspraak: 24 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 december 2012, 12/3087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 29 november 2011 heeft appellant verzocht hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

1.2. Bij brief van 10 januari 2012 heeft het Uwv appellant verzocht om aanvullende gegevens te verschaffen en deze uiterlijk 6 maart 2012 te overleggen.

1.3. Bij brief van 25 januari 2012 heeft appellant het Uwv verzocht de verdere correspondentie naar zijn postbus te sturen. Voorts heeft hij opnieuw verzocht om over te gaan tot beoordeling van zijn WAO-aanvraag en een besluit te nemen. Appellant heeft bij deze brief geen nadere gegevens verstrekt.

1.4. Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het Uwv besloten om de aanvraag van appellant op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling te laten.

1.5. Bij besluit van 22 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden besloten met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb de aanvraag van appellant om een WAO-uitkering buiten behandeling te stellen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het besluit van het Uwv niet juist is, hij nog steeds arbeidsongeschikt is, geen arbeid kan verrichten en het Uwv zijn arbeidsongeschiktheid dient te onderzoeken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv niet over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om tot beoordeling van de aanvraag van appellant over te gaan en dat de door het Uwv aan appellant gevraagde aanvullende gegevens noodzakelijk zijn om zijn recht op WAO-uitkering te kunnen beoordelen. Er zijn voorts geen aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde ontbrekende gegevens binnen de gestelde hersteltermijn te verstrekken.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.S. van der Kolk en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) S. Aaliouli

HD