Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
13-2857 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De manurenlijsten van [BV] roepen zoveel twijfel op dat het Uwv op basis van deze lijsten niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de referteperiode niet in tenminste 26 weken als werknemer heeft gewerkt. Daarbij komt dat het Uwv geen onderzoek heeft gedaan naar de gewerkte dagen van appellante bij het garagebedrijf van de familie [uitzendbureau] en dat, anders dan in het onderzoeksrapport van het Uwv staat vermeld, niet vaststaat dat de weken waarin appellante heeft gewerkt bij [naam bedrijf] niet van invloed zijn op het ontstaan van het recht op WW-uitkering. Onzorgvuldig onderzoek en een gebrekkige motivering. Draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2857 WW-T

Datum uitspraak: 24 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 mei 2013, 11/4828 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Reeser hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2014. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. O. Huisman, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Op verzoek van appellante is [getuige] als getuige gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 augustus 2008 heeft het Uwv appellante een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellante is werkloos geworden uit een dienstverband met uitzendbureau [uitzendbureau] B.V. ([uitzendbureau]). De WW-uitkering is op 12 januari 2010 geëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Met ingang van 13 januari 2010 is appellante een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet.

1.2. De afdeling Handhaving van het Uwv en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst hebben onderzoek verricht naar [uitzendbureau]. In dat kader is ook onderzoek verricht naar de werkzaamheden van appellante voor [uitzendbureau]. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een Rapport werknemersfraude van 26 april 2010. In dit rapport is geconcludeerd dat de loonstroken en de loonaangiftes van [uitzendbureau] aan de Belastingdienst vermoedelijk valselijk zijn opgemaakt en daarmee onjuist zijn en dat appellante volgens de manurenlijsten van inlener[BV] in de referteperiode, welke loopt van 5 november 2007 tot 14 juli 2008, slechts op 62 dagen (in maximaal 13 weken) heeft gewerkt.

1.3. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante met ingang van 14 juli 2008 ingetrokken, omdat gebleken is dat appellante niet heeft voldaan aan de referte-eis en daarom geen recht had op WW-uitkering. Tevens is over de periode van
14 juli 2008 tot en met 12 januari 2010 een bedrag van € 14.212,89 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 12 juli 2011 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het onderzoekrapport met bijlagen voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante in de referteperiode minder dan de vereiste 26 weken werkzaam is geweest. De rechtbank heeft op grond van de afgelegde verklaringen voldoende aannemelijk geacht dat [uitzendbureau] voor meerdere personen en voor meerdere doeleinden valse loonstroken liet opmaken. Volgens de rechtbank is appellante er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk het aantal uren heeft gewerkt zoals vermeld op de loonstroken op basis waarvan aan haar WW-uitkering is toegekend. Zij heeft haar stelling dat zij één dag in februari en de hele maand maart 2008 in de schoonmaak heeft gewerkt in de garage van de familie [uitzendbureau] niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook heeft zij haar stelling dat zij behalve onder haar eigen naam ook onder de naam [naam 1] bij [BV] werkzaam is geweest niet nader onderbouwd. Hieruit volgt, aldus de rechtbank, dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan de referte-eis heeft voldaan en dat het Uwv dan ook terecht de WW-uitkering van appellante heeft herzien en de onverschuldigd betaalde uitkering van haar heeft teruggevorderd.

3.

Appellante heeft het oordeel van de rechtbank bestreden. Volgens appellante vormt het onderzoeksrapport van het Uwv onvoldoende bewijs om de stelling van het Uwv, dat appellante in de referteperiode niet in ten minste 26 weken heeft gewerkt, bewezen te achten. Appellante heeft ook haar standpunt gehandhaafd dat de naam [naam 1] op de manurenlijsten van [BV] een fout is en die van haar had moeten zijn. Daarvan uitgaande voldoet appellante wel aan de referte-eis.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellante in de referteperiode niet in ten minste 26 weken als werknemer heeft gewerkt (referte-eis).

4.2.

Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of appellante niet heeft voldaan aan de referte-eis komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene niet heeft voldaan aan de referte-eis, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.3.

Op grond van de gegevens uit het onderzoeksrapport heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat de loonstroken en de loonaangiftes van [uitzendbureau] aan de Belastingdienst, op basis waarvan appellante WW-uitkering is toegekend, onjuist zijn opgemaakt. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 16 januari 2010 heeft [naam eigenaar], eigenaar van [uitzendbureau], erkend dat hij opzettelijk onjuiste loongegevens heeft verstrekt aan zijn boekhouder en op basis van deze onjuiste loongegevens valse loonstroken heeft laten opmaken, met het oog op het verkrijgen van een hypotheek of krediet door appellante. Uit het proces-verbaal van verhoor van 30 maart 2010 van appellante blijkt dat zij zelf ook heeft verklaard dat de loonstroken door [uitzendbureau] zijn opgemaakt ten behoeve van haar hypotheekaanvraag en dat de bedragen op die loonstroken niet juist zijn. Het Uwv heeft er verder terecht op gewezen dat de gegevens op de loonstroken niet in overeenstemming zijn met de eigen verklaring van appellante. Appellante heeft namelijk verklaard dat zij soms in het weekend werkte terwijl zij volgens de urenlijsten van [uitzendbureau] juist vaak op zaterdagen zou hebben gewerkt. Appellante heeft ook verklaard dat zij één dag in februari en de hele maand maart 2008 heeft gewerkt in het garagebedrijf van de familie [uitzendbureau], terwijl zij volgens de urenlijsten in die periode bij [BV] zou hebben gewerkt. De conclusie is dat het Uwv bij de beantwoording van de vraag of appellante heeft voldaan aan de referte-eis terecht voorbij is gegaan aan de loonstroken en de loonaangiftes van [uitzendbureau] aan de Belastingdienst.

4.4.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of het Uwv, gegeven de onjuistheid van de loongegevens van [uitzendbureau], op basis van de manurenlijsten van inlener [BV] aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet heeft voldaan aan de referte-eis. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. De getuige [getuige], bedrijfsleider bij [BV], heeft ter zitting verklaard dat appellante in november en december 2007 bij [BV] aardbeien heeft gesorteerd, terwijl zij volgens het onderzoeksrapport van het Uwv op basis van de manurenlijsten van [BV] in die periode slechts één dag zou hebben gewerkt. Bij brief van 21 juli 2010 heeft[naam 2], eigenaresse van [BV], verklaard dat de naam [naam 1] in de administratie een fout is en [naam 3] moet zijn. In de administratie van[BV] zou zich zelfs geen kopie van het identiteitsbewijs van [naam 1] bevinden. Op de manurenlijsten van [BV] is de naam [naam 1] echter slechts tweemaal gewijzigd in die van appellante, namelijk op 20 en 26 november 2007. Op een groot aantal andere data in de periode van november 2007 tot en met januari 2008 is de naam [naam 1] niet veranderd in die van appellante. De manurenlijsten van [BV] roepen op dit punt zoveel twijfel op dat het Uwv op basis van deze lijsten niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de referteperiode niet in tenminste 26 weken als werknemer heeft gewerkt. Daarbij komt dat het Uwv geen onderzoek heeft gedaan naar de gewerkte dagen van appellante bij het garagebedrijf van de familie [uitzendbureau] en dat, anders dan in het onderzoeksrapport van het Uwv staat vermeld, niet vaststaat dat de weken waarin appellante heeft gewerkt bij [naam bedrijf] niet van invloed zijn op het ontstaan van het recht op WW-uitkering.

4.5.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 berust het bestreden besluit op onzorgvuldig onderzoek en een gebrekkige motivering zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.6.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het in rechtsoverweging 4.5 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

4.7.

De Raad ziet hierin aanleiding om in de zaken 14/164 WW tot en met 14/166 WW het onderzoek, met toepassing van 8:68 van de Awb, te heropenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 12 juli 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) H.J. Dekker

JvC