Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
11-7244 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming in de verhuiskosten. Appellante heeft niet meegewerkt aan de totstandkoming van een GGD-advies, nu zij drie afspraken met de GGD voor een medisch onderzoek zonder geldige reden heeft afgezegd. Niet gebleken dat appellante op medische of andere gronden niet in staat was aan een medisch onderzoek mee te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7244 WMO

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

9 november 2011, 11/539 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.M. Gijzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 6 december 2013. Partijen zijn met kennisgeving niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 18 oktober 2010 een aanvraag om een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning bij het college ingediend.

1.2.

Bij besluit van 19 november 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek bij het normale gebruik van de woning ondervindt.

1.3.

Bij besluit van 25 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2010 ongegrond verklaard.

1.4.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

1.5.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het onder 1.2 vermelde standpunt van het college niet met een medisch advies is onderbouwd en het college ter zitting in de gelegenheid gesteld om alsnog een GGD-advies aan te vragen. De GGD Zuid Limburg heeft drie maal met appellante een afspraak voor een medisch onderzoek gemaakt, maar appellante heeft alle afspraken om uiteenlopende redenen afgezegd. De rechtbank heeft, na de afzegging van appellante van een afspraak voor een medisch onderzoek op 16 september 2011, bij brief van 14 september 2011 aan mr. Gijzen bericht ervan uit te gaan dat appellante haar medewerking zal kunnen verlenen aan de GGD-keuring op 16 september 2011. Mocht appellante desondanks besluiten haar medewerking aan de GGD-keuring te weigeren, dan zal de rechtbank daaraan de gevolgtrekkingen verbinden die zij nodig acht. Ondanks deze brief heeft ook op

16 september 2011 geen medisch onderzoek plaatsgevonden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op de grond dat het college de aanvraag van appellante onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en daartoe het volgende overwogen. Het gevolg van de afzeggingen van de drie afspraken met de GGD Zuid Limburg door appellante is geweest dat het college zijn opdracht voor een onderzoek door de GGD uiteindelijk heeft ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat het college daartoe, gelet op de non-coöperatieve houding van appellante, gerechtigd was. De rechtbank stelt voorts vast dat het college nog steeds niet beschikt over een GGD-advies op grond waarvan een gemotiveerd besluit zou kunnen worden genomen.

3.

Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellante bestrijdt dat zij niet heeft willen meewerken aan de totstandkoming van een GGD-advies. Voorts is appellante van mening dat alle beschikbare medische verklaringen, in hun onderlinge samenhang beschouwd, voldoende opleveren om aangemerkt te kunnen worden als alternatief voor een GGD-advies. Bovendien heeft de rechtbank de verklaring van de revalidatiearts van 22 april 2011 ten onrechte niet als recente medische informatie aangemerkt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellante niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een GGD-advies, nu zij drie afspraken met de GGD Zuid Limburg voor een medisch onderzoek zonder geldige reden heeft afgezegd. Op grond van de gedingstukken is niet gebleken dat appellante op medische of andere gronden niet in staat was aan een medisch onderzoek mee te werken.

4.2.

Voorts slaagt het betoog van appellante dat alle beschikbare medische verklaringen in hun onderlinge samenhang beschouwd voldoende opleveren om aangemerkt te kunnen worden als alternatief voor een GGD-advies niet. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de voorhanden zijnde medische informatie een volledig en juist beeld geeft en op juiste wijze rekening houdt met het wettelijke kader, miskent het betoog van appellante dat het college zich mag laten adviseren door de GGD en dat de GGD ter uitvoering van deze taak appellante mag onderzoeken. De verklaring van de revalidatiearts van 22 april 2011 ten tijde van de beroepsfase te beschouwen bevat, zoals appellant stelt, recente medische informatie. Naar het oordeel van de Raad was het aan een instantie als de GGD om zich over die informatie een medisch oordeel te vormen. Dat oordeel van de GGD is door toedoen van appellante niet tot stand gekomen.

4.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ten tijde van de aangevallen uitspraak niet is kunnen blijken dat appellante aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek bij het normale gebruik van de woning ondervindt. Dat betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met juistheid in stand heeft gelaten.

4.4.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

5.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling tot de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.C. Hoogendoorn

GdJ