Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
13-1157 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende procesbelang bij beoordeling van hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/348

Uitspraak

13/1157 WWB, 13/1158 WWB

Datum uitspraak: 23 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 februari 2013, 12-3058 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te Haarlem (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Namens appellanten is verschenen mr. S. Ҫakici-Reinders, kantoorgenoot van mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten zijn met elkaar gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Appellant, geboren op[geboortedatum] 1967, ontving tot 1 maart 2012 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1985, ontving de algemene heffingskorting minst verdienende partner. Op 26 januari 2012 hebben appellanten zich gemeld bij het college voor het doen van een aanvraag om (aanvullende) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 13 februari 2012 is wederom een aanvraag om (aanvullende) bijstand ingediend.

1.2.

Op 13 februari 2012 heeft appellante een gesprek gehad met een medewerker van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem. Hierbij ging het college ervan uit dat voor appellante, vanwege haar leeftijd, een zoektijd op grond van de WWB gold van vier weken. Met appellante is gesproken over de voor haar geldende activiteiten tijdens de zoektijd. Van de inhoud van dit gesprek is appellante bij brief van

13 februari 2012 mededeling gedaan.

1.3.

Op 14 februari 2012 heeft gemachtigde namens appellanten bezwaar gemaakt tegen de brief van 13 februari 2012. Bij brief van 15 februari 2012 heeft het college gemachtigde van appellanten onder meer bericht dat op 13 februari 2012 een nieuwe aanvraag is ingediend en dat bij de beoordeling van deze aanvraag zal worden beoordeeld of appellanten in aanmerking komen voor een eerdere ingangsdatum in verband met de vorige aanvraag. Op 12 maart 2012 is aan appellanten een kasvoorschot verleend ter hoogte van € 300,- en bij besluit van

26 maart 2012 is hen met ingang van 26 januari 2012 (aanvullende) bijstand toegekend. Hierbij is tevens meegedeeld dat het over de periode van 26 januari 2012 tot en met

29 februari 2012 teveel verstrekte voorschot zal worden verrekend met de bijstand. De bijstand over de maand maart 2012 is op 26 maart 2012 betaalbaar gesteld.

1.4.

Bij besluit van 25 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het tegen de brief van

13 februari 2012 ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de gespreksbevestiging van 13 februari 2012 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellanten geen procesbelang meer hebben omdat inmiddels op 26 maart 2012 aan appellanten bijstand is toegekend met ingang van 26 januari 2012.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de brief van 13 februari 2012 ten onrechte niet als een besluit is aangemerkt. Deze brief is volgens appellanten gericht op rechtsgevolg, omdat hierin een wachttijd van vier weken voor een WWB aanvraag is neergelegd en de uitbetaling van de bijstand daardoor is uitgesteld. Met het besluit van 26 maart 2012 is de behoefte aan bijstand komen vast te staan zodat het college bij de aanvraag meer had moeten doen dan het bieden van een wachttijd van vier weken. Voorts hebben appellanten verzocht om vergoeding van immateriële schade.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellanten voldoende procesbelang hebben bij een beoordeling van hun hoger beroep. In vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8271,

9 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0878 en 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208, is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2.

Door de gemachtigde van appellanten is desgevraagd ter zitting van de Raad aangevoerd dat het procesbelang van appellanten is gelegen in het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Ten gevolge van onduidelijkheid over hun aanspraak op bijstand hebben appellanten tijdens de wachttijd onnodig geleden, temeer nu twee jonge kinderen bij de aanvraag zijn betrokken.

4.3.

Hierin is geen voldoende procesbelang gelegen. Immers, op voorhand is onaannemelijk dat appellanten ten gevolge van de besluitvorming enige schade hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. De Raad wijst in de eerste plaats op de brief van het college van 15 februari 2012. Voorts is de aanvraag van appellanten van

26 januari 2012 in behandeling genomen en is aan appellanten op 12 maart 2012 een voorschot toegekend. Dat, en als gevolg waarvan, appellanten immateriële schade zouden hebben geleden is op geen enkele wijze onderbouwd.

4.4.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellanten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep van appellanten niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en P.W. van Straalen en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

HD